Met grote kruiken werd het aangevoerd, vrijdagavond onder eeuwenoude keldergewelven, het schuimend, vers getapte lichtblonde gerstenat waarvan de inname mede oorzaak was van de luimige stemming die heerste bij het zowat veertigkoppige gezelschap aan de lange morsige tafels. De zitbanken bleken wankel maar op de onze na, net weer de onze, hielden ze stand, de bijwijlen hevig deinende torso’s die ze moesten dragen ten spijt.