Dwarsliggende en dus conservatieve heer van stand

Dwarsliggende en dus conservatieve heer van stand

Dé invloedrijkste krantenrubriek in de naoorlogse Nederlandse twintigste eeuw vloeide uit de pen van J.L. Heldring. Vijf jaar na zijn overlijden in 2013 verscheen zijn biografie. Hierbij deel 2 van een poging tot lekker maken voor dit boek. (Lees hier deel 1)

Jérome Heldring benaderde de internationale politiek zeer onideologisch. “In Heldrings visie was hun <de Hollandse regenten- en koopliedenklasse in de traditie van vroegere eeuwen-pdr> ideologie vooral nuchter en rationeel, liberaal, verdraagzaam en pragmatisch. ‘Zij was zich bewust van Nederlands beperkte mogelijkheden en economische gegevenheden. Zij streefde, in welke internationale constellatie dan ook, naar evenwicht tussen de omringende krachten.’”, lezen we in de biografie. Daartegenover stonden de ‘kleine luiden’ die in de jaren ’60 en ’70 steeds meer invloed kregen op het buitenlands beleid. “In Heldrings idee hadden zij een andere ideologie: zij waren, in figuurlijke zin, afstammelingen van de ‘preciezen’, van de calvinisten: ‘(…) zij hebben dezelfde overtuiging behouden dat gelijk hebben belangrijker is dan gelijk krijgen, dezelfde voorliefde voor getuigen en schone handen, hetzelfde geloof in Nederlands roeping – en, ook onvermijdelijk, dezelfde schijnheiligheid.'”

SCEPTICUS

Heldring huldigde de handelsgeest maar dacht in de loop der jaren veelvuldig na over het spanningsveld tussen het liberalisme en de vaststelling dat de mens “in wezen een woeste barbaar is, die zonder wroeging moordt en rooft”. De woorden zijn van de filosoof Andreas Kinneging, door Heldring instemmend overgenomen.

Zijn essay ‘Lof van het conservatisme’ uit 1974 handelt onder meer over dat spanningsveld. “’Het liberalisme’, zo vervolgde hij, ‘is, als kind van de achttiende-eeuwse Verlichting, in wezen optimistisch. Het gelooft in de vervolmaakbaarheid van de mens.’ Dat doet het socialisme ook, zei Heldring. ‘Het ene gelooft in de directe vervolmaakbaarheid van de individuele mens, terwijl het andere gelooft dat de mens zijn bestemming slechts kan bereiken via de ideale collectiviteit.’ De conservatief daarentegen is volgens Heldring ‘overtuigd van de beperktheid van de mens – zowel de individuele als de collectieve mens. Hij is geen idealist, maar een scepticus.’” Hiermee ontpopt hij zich alvast tot geestesgenoot van de Ierse oervader van het conservatisme, Edmund Burke.

Heldrings conservatisme was eerder van persoonlijke dan politieke aard. “Als eerste geloofde hij niet in het inherent goede van de mens; de mens laat zich door de rede leiden, zoals de verlichting wil, maar de conservatief ‘weet dat de mens elk ogenblik kan terugvallen in paroxismen van volstrekte irrationaliteit. “Auschwitz” is daar het meest recente voorbeeld van.’” (1989)
In essentie gaat het volgens Heldring over “de oerangst voor de chaos”. “De boel bij elkaar houden” noemde hij dan ook een onvervalst conservatief denkbeeld. De typisch conservatieve politiek “van kleine stappen (…) sluit allerminst verbetering van misstanden uit, maar dan in het voortdurend besef van het menselijk tekort – een geseculariseerde versie van het christelijk zondebegrip – maar ook in het besef dat de wereld niet stilstaat, maar voortdurend verandert, ook los van menselijk ingrijpen.” (1996)

RAYMOND ARON

Hoogleraar en ‘Heldring-kenner’ Maarten Brands vergeleek de auteur van ‘Dezer Dagen’ met Raymond Aron, de Franse schrijver/socioloog die zo zeer werd bewonderd door Heldring. “Aron behoorde tot de traditie van De Tocqueville en Montesquieu, een Verlichting die kritisch en gelouterd naar zichzelf kijkt, zich bewust van de menselijke onvolkomenheden, het belang van de geschiedenis, de tragiek van het bestaan en de grenzen aan de rationaliteit.” (citaat door Brands ontleend aan Brian C. Andersons ‘Raymond Aron: the Recovery of the Political’ uit 1998)
Heldrings vader – gelovig maar niet kerks - las dagelijks voor uit de bijbel, waaruit zoon Jérome veel eruditie putte maar niet het geloof. “In januari 1988 werd hij uitgenodigd door De Groene Amsterdammer om een ‘preek’ te komen houden in de Amsterdamse poptempel Paradiso. ‘Laat ik eerst mijn geloofsbrieven aan u voorleggen,’ opende hij. ‘Ik noem mij niet-gelovend christen. “Niet-gelovend” omdat ik niet geloof in een persoonlijke God en daarom ook niet geloof dat Christus de zoon van die God was en is.’” Maar dus wel christen? “Hij citeerde <de Poolse filosoof-pdr> Kolakowski: ‘Het christendom is immers deel van onze gemeenschappelijke erfenis, en volledig niet-christen te zijn zou betekenen dat wij ons buiten die cultuur sloten.’”

“Van De Tocqueville gebruikte hij <= Heldring-pdr>: ‘Wanneer de ongelovige de godsdienst niet langer waar acht, blijft hij haar nuttig vinden. Hij betreurt dus het geloof na het verloren te hebben.’” Heldring worstelde met de combinatie ongelovig te zijn en de vaststelling dat de mens ‘zondig is’ of tekortschiet, zoals hij het dan in niet-religieuze termen verwoordde. Een gelovige kon zich tenminste rechthouden aan de belofte van het hiernamaals, een troost die Heldring dus niet gegeven was.

De ongelovige Heldring zag wel de waarde in van religie. “De samenleving (…) heeft dus een ethiek nodig waarvan de bron buiten haar ligt, dus buitenmenselijk is. We komen aldus uit op de religie – welke religie dan ook – zonder welker noemer de democratie ten slotte in moeilijkheden geraakt.” (1993) Hij vulde later aan: “Je hoeft zelf niet noodzakelijkerwijs religieus te zijn om tot deze conclusie te komen. Er zijn heel wat ongelovigen die menen dat het uiteindelijk de religie (het woord betekent: binding) is waaraan een samenleving de normen en waarden ontleent die haar bijeenhouden, haar samenleving doen blijven.” Hij liet er plagend op volgen: “Er zeker is er geen aanleiding voor gelovigen een triomflied aan te heffen: zie je wel, God bestaat. De conclusie dat een samenleving zonder religieuze noemer in moeilijkheden raakt, is nog geen godsbewijs.” De zoon van de gelovige maar onkerkse vader leek soms op weg ongelovig maar kerks te worden.

Het zal uit deze enkele passages uit de biografie alvast duidelijk geworden zijn dat Heldring eerder vragen opwierp dan dat hij oplossingen aandroeg. Bij die vaststelling zou hij zich helemaal kunnen vinden want de journalist moest voor deze vakman doen nadenken, niet in de plaats van de lezer denken. Dat uitgangspunt alleen al moet volstaan om meer te willen lezen van en over Heldring.

Extraatje

Op 17 april 2012 verscheen in NRC Handelsblad volgde tekst van de toen 94-jarige Heldring:

“Dankwoord aan mijn lezers.

Mijn besluit om, na 52 jaar, te stoppen met mijn wekelijkse column (die overigens in de eerste jaren drie keer per week verscheen) heeft een ware tsunami aan brieven en e-mails aan mij veroorzaakt - om niet te spreken van degene die niet aan mij, maar aan de redactie gericht waren. Er was er tot nu toe geen bij die van opluchting blijk gaf: gelukkig, die zijn we eindelijk kwijt! Alle getuigden van waardering, al waren natuurlijk niet alle schrijvers het altijd met mij eens geweest.
Het is mij onmogelijk allen die gereageerd hebben, persoonlijk te beantwoorden. Mag ik daarom volstaan met een algemeen woord van dank aan mijn lezers voor hun belangstelling en trouw?

Misschien zal ik nog eens gebruikmaken van het genereuze aanbod van de hoofdredacteur om zo nu en dan mijn geluid in de kolommen van de krant te laten horen, maar nu even niet. Je moet per slot van rekening ook weten op te houden. Het is mooi genoeg geweest. Dus voorlopig: vaarwel.”

Op 27 april 2013 overleed hij, enkele weken na zijn vrouw Fiet met wie hij 71 jaar getrouwd was. Jérome Louis Heldring zou dan 95 keer zijn verjaardag beleefd hebben.

Verschenen op mijn Facebookpagina op 6 november 2018 en hier geplaatst op 9 november 2018.

Afbeelding: de eerste ‘dezer dagen’ van 4 januari 1960 met het fotootje dat later voor de rubriek werd gebruikt.

Labels