Over een dwarsliggende man van stand

Over een dwarsliggende man van stand

Zondagmiddag. Uitstekend ogenblik om wat te lezen over de enige Nederlander die zich in de jaren '70 conservatief durfde noemen en ruim een half jaar lang de meest invloedrijke krantenrubriek verzorgde.

Vlaanderen kent Heldring niet. Ten onrechte en moge de biografie van deze icoon van de Nederlandse journalistiek, die zopas het licht zag, daar enige verandering in brengen.

Vers van de drukker ligt in de betere boekhandel ‘de eeuw van J.L. Heldring – een biografie’. Met veel plezier verorberde ik elke van de 306 bladzijden. Wanneer ik jongeren – een groep die jaar na jaar aangroeit – daar de voorbije weken op aansprak, klonk als was het afgesproken: ‘de eeuw van J.L. wie?’. Nochtans verliet het onderwerp van deze levensbeschrijving het ondermaanse pas in 2013, ook geen eeuwigheid geleden zou je dan denken. Over eeuw en eeuwigheid gesproken, Jérome – daar staat die J van J.L. voor – Heldrings leven omspande bijna zo’n tijdvak want liep van 1917 tot 2013.

Dat hij een Nederlander was, verklaart wellicht mede waarom zijn naam Vlaamse jonge mensen niets meer zegt. Maar de Fabeltjeskrant werd 50 jaar oud en die naam doet wel menig min-dertigjaar jong Vlaams hart van opwinding opspringen hoe Nederlands mijnheer de uil ook was. Trouwens, iemand als Hugo Schiltz werd wel uit Vlaams hout gesneden en ook diens naam, moest ik onlangs hogelijk verbaasd vaststellen, roept nu blijkbaar vooral vaagheden op, zelfs bij politiek belangstellende Vlamingen die hem nooit in hun periode van volle bewustzijn mochten meemaken. Ik word oud, dat is natuurlijk dé verklaring, maar nu terug naar Heldring (en jawel, verderop ook een beetje naar ‘de uil’).

AVONDBLAD

Vele jaren geleden besteedde ik een stevige schijf van mijn schaarse beschikbare middelen aan een abonnement op de Nederlandse krant NRC Handelsblad. Enkele jaren eerder, in mijn studentenjaren, waren die middelen nog kariger en stilde ik mijn buitenlandse krantendrift met een abonnement op Neues Deutschland, de partijkrant van de DDR, het deel van Duitsland dat onder Sovjethoed voorspoed moest zoeken in de communistische heilsleer. NS werd spotgoedkoop aangeleverd, rijkelijk gesponsord als het werd door de propagandadienst in Oost-Berlijn. Die ploeg verloor wel het promotionele nut uit het oog om van NS iets leesbaars te maken. Het kon echt wel aantrekkelijker uit de hoek komen dan met het obligaat afdrukken van lange toespraken van partijleider Erich Honecker of andere ongeïnspireerde, uitgebluste partijkaderbonzen.

Dat NRC Handelsblad bekoorde me meer en was de meeruitgave waard, al moest ik wel even wennen aan de levertijd – die viel namelijk in de late namiddag, wat de naam ‘avondblad’ ten volle verantwoordde. Voor al de rest aan bod kwam, las ik het commentaarstuk ‘Dezer Dagen’, van de hand van een grijzende heer van wie op de minieme begeleidende zwart-witfoto al kon afgelezen worden dat het een man van stand betrof. J.L. Heldring bezette toen de stoel van hoofdredacteur van de krant niet meer want uit die functie vertrok hij in 1972 maar hij bleef wel zijn rubriek verzorgen, die hij aanvatte in 1960 en waarvoor hij de laatste bijdrage indiende in… 2012, 52 jaar later en dan 95 jaar wijs!

Heldring lezen betekende dan ook ondergedompeld worden in belezenheid, eruditie, weloverwogen analyse, kortom wijsheid. Spijtig dat ik in die enkele jaargangen dat ik de krant dagelijks las slechts een fractie van zijn totale oeuvre heb genoten. Later kwam ik zijn rubriek nog slechts sporadisch tegen, bij een bezoek aan de bibliotheek wat in die internetloze tijden naast televisie en radio de enige goedkope manier bood om een wat ruimere blik op de wereld te kunnen werpen.

“In het bestek van een krantenkolom trakteerde hij zijn lezers op scherpe analyses en prikkelende vragen uit de buitenlandse politiek, de democratische troebelen van de universitaire wereld, onoplosbare vragen in religie en geloof, de logica die het taalgebruik zou moeten beheersen en het verschil tussen liberaal en conservatief”, staat op de achterflap van die pas verschenen biografie. Geloof achterflappen niet zo maar, ze hebben altijd iets Neuesdeutschlandachtig maar dan geschreven door mensen die wel verstand van promotie hebben. Geloof deze achterflappassage daarentegen wel en wie nooit zo maar iets gelooft, lees het boek en de inspanning zal ruimschoots beloond worden door de kennismaking met een buitengewoon schrandere waarnemer van de maatschappelijke gebeurtenissen.

AMSTERDAMSE GRACHTENLIBERAAL

Heldring groeide op in een zeer welstellend en intellectueel uitdagend liberaal milieu aan de Amsterdamse grachten, protestants maar niet kerkelijk. Hij verscheen naar familiaal gebruik alleen gehuld in keurig pak in het publiek. Die achtergrond verklaart zeker ook zijn werkdiscipline – opstaan om 5 uur ’s ochtends en van die dingen waar katholieken de al te zondige neus voor ophalen – maar wellicht ook zijn neiging om niet met de stroom mee te varen en de persoonlijke, weloverwogen analyse hoger te schatten dan wat goed in de markt ligt. Heldring was in de meest linkse jaren die onze noorderburen kenden “zowat de enige intellectueel in Nederland die zich publiekelijk ‘conservatief’ wenste of durfde te noemen”, schreef het NRC Handelsblad in 2002. In 1974 schreef hij voor het blad Liberaal Reveil de tekst ‘Lof van het conservatisme’ en het vroeg een stevige portie intellectuele branie om dat in die jaren te durven.

Heerlijke man die een tijdlang zowat op zijn eentje journalistiek tegengewicht bood tegen de progressieve vloedgolf in de media. Enkele passages eruit zetten misschien aan om mijnheer Heldring – alleen familieleden en de intiemste vrienden spraken hem aan met Jérome – beter te leren kennen middels het lezen van die nagelnieuwe biografie.

In de jaren ’50 werkte Heldring in de Verenigde Staten waar hij eind 1957 op lezingentour trok. Zijn intro luidde: “Ik word verondersteld over Europa te praten vanmiddag. Ik moet u teleurstellen: Europa bestaat niet.” In 1973 klonk het in ‘Dezer Dagen’ als volgt: “Europa heeft helemaal geen identiteit! D.w.z. alle eigenschappen waarop de Negen <de EEG bestond toen uit negen lidstaten-pdr> zich beroemen zijn niet eigen aan Europa in die zin dat anderen er geen deel aan hebben.” Hij levert hier meteen een handzame maatstaf om groepsidentiteiten af te meten.

KOOPMAN VERSUS DOMINEE

Heldring was zelf een man van maat, zoals een ware conservatief betaamt. “Niets is belangrijker in de politiek dan het eigen gewicht te kennen, de grenzen van het mogelijke”, lezen we in 1961. Realisme, dat was het kompas waarop Heldring al die jaren voer en daarmee viel hij toen op bij onze noorderburen. Biograaf Hugo Arlman schrijft het zo: “De internationaal-politieke ‘realist’ Heldring verborg zijn ergernis over het ‘moralisme’ dat vooral in de jaren zeventig welig tierde in de Nederlandse politiek. Hij vond dat in buitenlandse politiek weinig plaats was voor moraal. In een radiogesprek met Den Uyl <uit 1983, met de voorman van de PvdA en de meest linkse premier die Nederland ooit kende-pdr> over het thema ‘koopman versus dominee’ legde hij de van oorsprong gereformeerde PvdA-voorman uit een nest van kleine luiden nog eens uit waarom. Een staat is in de eerste plaats verantwoordelijk voor zijn eigen burgers en moet hun belangen behartigen; moraal verdraagt zich slecht met compromissen die in de politiek noodzakelijk zijn en morele doelstellingen kunnen met elkaar in conflict geraken.”

En verder: “’Wat is het toch in ons Nederlanders dat we ons aanmatigen ons met de binnenlandse aangelegenheden van een ander land te bemoeien?’, schreef hij in een ‘Dezer Dagen’ nadat dezelfde Den Uyl, toen nog fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, de Amerikaanse president en opnieuw presidentskandidaat, Richard M. Nixon, ‘een stuitend alternatief’ had genoemd. ‘Een soort moreel superioriteitsgevoel? (…) Zijn we onze blunders in Indonesië vergeten, om niet te spreken van onze oorlogsmisdaden?’” De linkse idealist Den Uyl schreef in 1982 naar waarheid: “(Heldring) heeft consequent de wereldverbeteraars geridiculiseerd”.

Goedkoop moralisme kon bij Heldring alleen meewarig geschud van het hoofd opwekken. “De vraag die Heldring in dergelijke situaties vooral stelde aan de dames en heren politici, was of hun woorden in kwestie hun doel dichterbij brachten of juist contraproductief waren.” Het klonk dan ook zeer passend toen hoogleraar Maarten Brands in 1993 bij de uitreiking van Heldrings eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam – waartegen activistische studenten zich verzetten, wegens ‘te rechts’ – in zijn lofrede helemaal in Heldringiaanse zin sprak over Nederland “waar politiek nog zo vaak wordt gezien als de voortzetting van theologie met andere middelen”.

Wie meende de grote Waarheid in pacht te hebben, kon dan ook niet op Heldrings sympathie rekenen. Vlijmscherp maar tot nadenken stemmend, klinkt uit een ‘Dezer Dagen’ van 2005: “Hoed je wanneer idealisten aan de macht zijn. Zij kennen meestal hun grenzen niet en het maakt niet uit of ze links of rechts zijn.”

Wie er nu al zin in heeft, reppe zich naar de boekhandel. In een tweede bijdrage, waar ik Heldring het laat hebben over conservatisme versus liberalisme en socialisme, onderneem ik nog een poging.

N.B.: Heldring hechtte veel belang aan taal (en aan de Nederlands-Vlaamse samenwerking) en kreeg dan ook het etiket ‘kommaneuker’ opgekleefd. Herlees de tweede zin uit deze tekst (“Ten onrechte…”) en stel vast dat komma’s een wereld van verschil kunnen maken.

 

Gepubliceerd op mijn Facebook-pagina op 4 november 2018 en hier geplaatst op 5 november 2018.

Labels