Zondagsmijmering: Over vallen
Ik vertrouw deze regels dit keer toe aan het klavier wanneer de zondag nog maar tien minuten bezit heeft genomen van zijn kalenderblad <en heb het zonet na bakkersbezoek en ontbijt op zondagochtend nog eens herlezen>.
Zoëven <vannacht dus> daalde ik de trap af en al van mijn jongste kinderjaren verzuim ik bij dergelijk manoeuvre op vertrouwde trappen de lichtschakelaar te activeren. Dat was enkele momenten geleden <vannacht dus> niet anders. Nooit eerder leidde dat tot problemen maar deze afdaling had het de eerste keer kunnen zijn want één trede bleek zich niet op de hoogte te bevinden waar ik die vermoedde waardoor ik net niet struikelde. Ik mistrapte me dus eigenlijk letterlijk.
Net niet is uiteraard een vorm van niet, dus ik bereikte de vaste grond behouden. De spontane inschatting van de afstand tussen de greep van de trapleuning - het kompas waarop ik zo zeer vertrouw dat ik de steun van een lichtbron overbodig acht - en de trede was niet loepzuiver geweest maar toch nog accuraat genoeg om me staande te houden.
Daarmee hou ik u al even onledig over wat niet is voorgevallen, het feit dat ik niet ben gevallen, nochtans geen uitzonderlijk fenomeen. In tegendeel, vallen doe ik haast nooit meer. Gelukkig overigens want mijn steeds brozere botten verdragen het onbedoelde contact met de aardkorst steeds minder.
Ooit was dat anders, ook bij u. Volwassenen horen niet te vallen en worden geacht de grond slechts met de voetzolen te raken. Doen ze dat wel, vallen dus, dan spreken we van een malheur en heeft dat in aardig wat ‘gevallen’ - duid me de woordspeling niet euvel - onaangename gevolgen als daar zijn besmeurde kledij, gehavende lichaamsonderdelen of geblutst ego. Een onhandige beweging bij het bedrijven van sport, onvoldoende voorzichtig schuifelen over ijs, negeren van bananenschillen, drempels over het hoofd zien - wat een kromme beeldspraak - , tredes verkeerd inschatten; ze vormen uitzonderingen op het gebruikelijke voortbewegen.
Maar ooit was het dus anders. Onze spruit zette zijn eerste wankele pasjes net vóór zijn eerste verjaardag, en zijn zelfzekerheid in die bedrijvigheid neemt dag na dag toe. Vallen hoort er bij hem wél helemaal bij. Niet af en toe, niet sporadisch, niet bij uitzondering, neen, als volwaardig onderdeel van de voortbeweging.
Hij valt naar voor maar is nog zo klein dat de wetten van de zwaartekracht maken dat hij de grond raakt vóór het bereiken van een problematische snelheid. Hij valt naar achter maar dan blijkt zijn luier naast het vasthouden van ontlasting ook ander comfort te bieden. Hij valt van wat hij beklommen heeft, dus naar beneden, maar daarbij ontliep hij door de soepelheid zijner beenderstel steeds het ergste en bleef het bij een buil of een korte huilbui.
Hij valt zelden naar links of rechts, dus wat de opzijvallerij aangaat kunnen we hem al een beetje als volwassen beschouwen. Hoewel, toch deze bedenking: juist meerderjarigen willen wel eens vervaarlijk ver naar links of rechts neigen en komen dan soms ten val. Dat overkomt hem dus zelden.
Maar gewoon vallen: niet een paar keer per dag, niet tien keer per dag, talloze keren, zo frequent dat beginnen tellen geen zin heeft wegens niet bij te houden. Hij staat trouwens ook altijd weer op en vervolgt dan zijn weg ongegeneerd - de gêne-fase is hij nog niet ingetreden - alsof er niets gebeurd is. Wanneer hij weer aanzet, gebeurt dat met een zelfvertrouwen dat menig volwassene niet meer dorst aan de dag te leggen.
We zijn toe aan een besluit. Niet het aantal keren dat we vallen bepaalt het aplomb waarmede we de wereld tegemoet treden, wel de angst voor het eventuele vallen, de angst daarna niet meer op te staan. En die, die kent hij niet. Vandaar zijn vastberaden tred die in het ouderhart zo’n vreemde cocktail van trots en vrees opwekt.
Foto: Een vakantieherinnering. Vallen, dat lukt hem overal.
Facebook, 30 augustus 2026
- Login om te reageren