Ministers zonder trappers kunnen ze niet kwijt geraken

Ministers zonder trappers kunnen ze niet kwijt geraken

Verslag van een veelbewogen week in de Wetstraat

Na een druk weekend waarop ik op de Dag des Heeren (die heeft voor alle duidelijkheid niets te maken met een bepaalde prikkelbare burgemeester) aan de slag moest met een passage in De Zevende Dag (loonoverleg), een opiniestuk voor De Morgen uit het klavier moest rammelen en een tussendoor een interview aan Le Soir geven (beide over het thema van de week), kon ik alvast op kruissnelheid de nieuwe week invliegen.

Het thema van de week? De pandemiewet en haar ramificaties op onze rechtsstaat stond weer geagendeerd. Waar de week van een Kamerlid in principe start buiten de parlementaire vergaderruimtes, stond deze maandag bol van spanning. Na een veelbewogen eerste zitting over de pandemiewet besloten de meerderheidspartijen - in hun poging dit gedrocht er snel snel door te rammen – vorige week een volgende zitting op maandag in plaats van op de gebruikelijke dinsdag te agenderen. Alles voor de nieuwe politieke cultuur.

Na het wekelijkse partijbestuur zat ik samen met de slimme juridische koppen van onze fractie om onze standpunten en strategie nog eens af te stemmen en boog me nog enkele uren over het wetsontwerp en onze vele nota’s alvorens me naar de “arena” te bewegen, te weten het plenaire halfrond. Door die keuze van commissievoorzitter Ortwin Depoortere (VB) voor een ‘zoomloze’ zaal kon minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) zich dit keer niet achter haar computer en een leger souffleurs verbergen en moest ze in persoon uitleg geven over de volmachtenwet-met-andere-naam-om-de-essentie-te-verstoppen. Het leidde er wel toe dat de vergadering pas na enige vertraging kon opstarten want de meerderheidscollega’s moesten in voldoende aantal lichamelijk present tekenen, wat enige extra tijd vergde.

In eerdere posts kon u eerder al enkele hoogtepunten van dat levendige debat bekijken. De verschillende oppositiepartijen brachten tal van bedenkingen en argumenten en niet zo beknopt ook. Zelf had ik toch een uur nodig om de belangrijkste mankementen op een rijtje te kunnen zetten. De meerderheidsleden hulden zich de eerste 5 (vijf!) uur van het debat in stilzwijgen. Vive la vitesse en vooral vive la particratie. Na enkele uitdagende plagerijen kwamen Stefaan Van Hecke (Groen) en Tim Vandenput (Open VLD) dan toch uit hun schuilhokje. Met Van Hecke is het trouwens altijd uitdagend debatteren.

Minister Verlinden moest natuurlijk wel tussenkomen om te reageren op de vele kritieken. Ze bediende zich weer daarbij graag van de techniek om het naast de kwestie te gaan zoeken. Zo vond ze mijn omschrijving van de twee soorten koninklijke besluiten (KB’s) in haar ontwerp als moeder- en dochterkb’s niet genderneutraal genoeg. Je gelooft het niet wanneer je het in alle ernst opgemerkt hoort. Kwestie van de prioriteiten te kennen bij een dermate ingrijpende wet die makkelijk misbruikt kan worden door politici van kwade wil.

Dit ontwerp komt ook op het terrein van de bevoegdheden van de deelstaten. Daarom vroegen wij een advies van de gewesten en gemeenschappen maar dat verzoek werd doodleuk weggestemd, ook door Open VLD en CD&V. Blijkbaar vinden die partijen het normaal dat het Belgische niveau kruipenderwijs inteert op de bevoegdheden van Vlaanderen, want het slappe overleg dat dit ontwerp voorziet is, in het schoon Vlaams, van ‘keskeschiet’.

Aan het einde van de marathonzitting konden we met de andere oppositiepartijen de eindstemming alvast laten uitstellen en dus wordt deze saga nog vervolgd.

Groot bakkes

Daags nadien stond een commissie Buitenlandse Zaken op de planning voor een hoorzitting over de behandeling van de Oeigoeren in China maar omwille van een cyberaanval kon die niet doorgaan. Men spreekt graag over het gemak van telewerk, waarvan ik sowieso al een koele minnaar ben omdat het ministers zo gemakkelijk de kans biedt om het debat te ontwijken, maar dit soort accidenten toont ook het technische risico van een dermate grote afhankelijkheid van technologie aan. Of de Chinezen achter de aanval zaten, laat ik bij gebrek aan bewijs in het midden, maar de timing en gelijksoortige aanvallen in het buitenland doen alleszins ernstige twijfels rijzen.

Donderdag werd een bittere dag. In de plenaire zitting stond een wetsvoorstel op de agenda over het ingrijpen van sociale mediaplatformen op posts, een probleem waar ik al lang mee bezig ben en dat me als liefhebber van het vrije woord mateloos intrigeert. Die interessante zitting werd echter meer dan overschaduwd door diep triest nieuws. In de loop van de fractievergadering die donderdagochtend plaatsvindt kwam het bericht binnen dat mijn goeie vriend Bart Van Reeth zijn strijd tegen COVID had verloren. Ik kom er morgen in mijn zondagsmijmering op terug.

Als laatste eerbetoon droeg ik mijn betoog voor de vrijheid van meningsuiting aan hem op, kwestie van zijn naam in de parlementaire verslagen te wurmen en hem zo ook daar te vereeuwigen. Een schelmenstreekje dat die drie decennia vriendschap een heel klein beetje illustreert.

De vrije meningsuiting – waarvan Bart met zijn grote bakkes een actieve bedrijver was – leek mij in het halfrond toch wel een ernstige bespreking waard. Mijn tussenkomst duurde een klokje rond (ik doel op de grote wijzer, voor alle duidelijkheid) en u kunt er onderaan een klein stukje van aanklikken. Ze lokte vele reacties uit van collega’s van de meerderheidspartijen zodat we alvast een sterk debat kregen. Ik verdenk hen er trouwens absoluut niet van dat ze het principe van de vrije meningsuiting niet genegen zouden zijn maar wel dat ze de ogen sluiten voor een absoluut beangstigende tendens naar steeds meer beperkingen op de vrije spraak. (Het valt me nu te binnen: de rubriek die ik jarenlang verzorgde voor Doorbraak heette Vrijspraak.)

Plexi-excellenties

Voor zover mijn broek dankzij de degelijkheid van mijn bretellen nog niet helemaal was afgezakt van het coronabeleid van deze regering, knakten die vrijdag toch fataal af en viel mijn broek vrijdag toch nog op de enkels (gelukkig gebeurde dat terwijl ik thuis aan het werk was). Het verschijnen van minister Verlindens ministeriële besluit (MB) dat de heropening van de terrassen in goede banen zou moeten leiden, zorgde voor een nieuw verbluffend dieptepunt. Alleen al het feit dat die pas verscheen luttele uren voor het in werking treden is bij de haren getrokken maar van de inhoud viel ook niets goeds te zeggen. Wat bleek immers? Plexiglas, dat ook vorig jaar door heel wat horeca-uitbaters werd gebruikt om hun terras zowel veilig als enigszins winstgevend te kunnen uitbaten, was plotseling niet meer toegestaan. Onze ministers gingen dat vervolgens uitleggen in radio- en tv-studio’s alwaar ze omringd werden door de plexiglazen. Het beeld van de in een besloten radiostudio door plexi ingekaste Van Quickenborne (Open VLD) die fulmineert over het gevaar van plexiglazen op open terrassen voor de volksgezondheid, zal geschiedenis maken.

De Belgische staat is an sich al een oefening in constitutioneel absurdisme, maar hoe men hier regels schijnbaar naar willekeur oplegt, manifest botsend met de afspraken die enkele dagen eerder gemaakt werden met de sector en zonder enige toetsing aan de realiteit kan je eigenlijk alleen maar als wraakroepend omschrijven. Je zal maar een cafébaas zijn.

Je kan niet zeggen dat de excellenties Verlinden en Van Quickenborne de trappers kwijt geraakt zijn, de vraag rijst of ze eigenlijk wel trappers hebben. Ooit ging het over ministers van teflon en beton. Nu worden ze geleverd in sterk bekrast plexiglas.

Ik geniet alvast van een eerste terrasje vanavond, zon, wind of onweer: het is gewoon een kwestie van principe.

Dit verslag verscheen voor het eerst op Facebook.