Zondagsmijmering: Over de boerenzoon

Zondagsmijmering: Over de boerenzoon

Geen kind ontkomt er aan want ze wordt gesteld, niet één maal, geen twee keer, veelvuldig, te pas en te onpas, thuis, op school, op familiefeesten, de niet te ontwijken vraag wat je later gaat worden.

Niet dat ze op het ogenblik wanneer ze gesteld wordt voor ongemak zorgt - in tegenstelling tot die andere klassieker: hebt ge al een lief? - want doorgaans hebben kinderen het antwoord paraat - ze werd dan ook al eerder talrijke keren voor de kindervoetjes geworpen - en klinkt het zelfzeker ‘astronaut’, ‘gevechtsvliegtuigpiloot’, ‘bergbeklimmer’, ‘profvoetballer bij Barcelona’ of ‘drakendoder’. Kinderen laten zich qua toekomstvisie doorgaans niet kennen als benepen angsthazen en kiezen voor het zwerk als limiet.

Die veel gestelde vraag wordt pas confronterend wanneer we zo veel jaren later moeten vaststellen welke brede kloof gaapt tussen de eertijdse gekoesterde droom en de daarop gevolgde daad. Ergens liep het anders dan gepland en zo kwam er van het doden van draken niets in huis en betraden we nooit het gazon van Camp Nou.

Ogenschijnlijk klonk mijn standaardantwoord eenvoudiger, minder ambitieus, bescheidener. Het was mijn jongensdroom boerenzoon te worden, ik meen het al eerder ontboezemd te hebben. Boeren doden geen draken en beklimmen geen bergen, gaan niet hoger dan de zolder boven de schuur - weliswaar om daar als jongeman de hoogste toppen te bereiken.

Toch werd mijn ambitie reeds bij het uitspreken als onhaalbaar afgedaan; mijn vaders beroepskeuze maakte de verwezenlijking onmogelijk.

Die jongensdroom was wél erg Vlaams. Twee, zelden meer dan drie, pak vier generaties terug waren we zowat allemaal boeren en dat zit ons nog in het bloed. Een Vlaming behoeft niet meer dan enkele potten met planten op zijn terras om zich boer Wortel te wanen, soeverein heerser over zijn areaal. Een streep gazon in de tuin volstaat om hem op zondag in de doe-het-zelfzaak aan de stand van de zitmaaiers naar een brochure te zien grijpen. Twee frambozenstruiken wekken het gevoel mee de honger uit de wereld te helpen.

Boeren, Gods rechterhanden in het bestieren van de schepping, trekken eigenhandig het voedsel uit de grond. Die fundamentele grootsheid missen wij, van de grond losgezogen eenentwintigeeuwers, en vandaar ons, jawel, ingewortelde heimwee naar het leven van de akkerman.

Uw dienaar vormt op die regel geen uitzondering, in tegendeel. Boerenzoon werd hij dus niet maar nu we het voorschootje in centrum Antwerpen inruilden voor een huis met een echte tuin, is hij deze dagen binnenshuis nog amper aan te treffen en in het plantencentrum wordt wanneer ze zijn intussen daar bekend Fiatje de parking zien oprijden zowat de rode loper uitgerold terwijl personeel nog snel nieuw zetgoed aanzeult opdat voorraadproblemen zijn onstelpbare koopwoede niet zouden stremmen.

En wat doet een boer, of iemand die zich waant het te zijn, des avonds voor de nacht invalt? Juist, hij inspecteert voldaan en trots zijn doening, bij elk bloesembloempje of ontluikend knopje tevreden pauzerend, daarbij gaarne vergezeld van de kroost.

Onze spruit blijkt van die uitstapjes te genieten. Zou hij het ook ruiken? Ik bedoel de lente, die nu officieel haar intrede deed. Naar onze inschatting ruikt hij het.

Mama krijgt een extra, ietwat uitgelaten knuffel wanneer we de tuin intrekken, hij knippert met de ogen want de zon staat laag, tuurt naar de boomschors terwijl zijn beentjes opgewonden trappelen, kijkt op bij het gefladder maar is te traag om het kwieke koolmeesje te volgen in diens vlucht en ziet dan een eerste vlinder vrolijk dansen op een zuchtje vooravondwind. Zijn knuisjes gaan grijpgraag naar blad of bloem, soms met verwoestende gevolgen voor het bemachtigde.

Ik weet niet wat hij zal antwoorden als ze hem ooit vragen wat hij later wil worden maar een heel klein beetje boerenzoon, dat zal hij al zijn.

Geniet van de eerste lentezondag

Foto: De kleine grijpgrage handjes reiken naar de lente.

Facebook, 22 maart 2026

Labels