Zondagse mijmering: Intergenerationele inspraak-eis

Zondagse mijmering: Intergenerationele inspraak-eis

Op zondag kan je vooruitkijkend mijmeren maar ook terugblikkend. Dat laatste ga ik vandaag doen en niet zo’n klein beetje ook. Decennia keren we terug in de tijd. Terugblikken op de voorbije week maar ook op vele jaren geleden, want plots zag ik gisteren, al wandelend tussen nietsvermoedende schapen, paralellen die toch een opvallend patroon laten zien.

Even verduidelijken. De voorbije week werd de pandemiewet geactiveerd, wat er op neer komt dat de regering volmacht krijgt om anti-coronamaatregelen te treffen zonder dat het parlement daarbij betrokken wordt. Ik probeerde minister Vandenbroucke tijdens het debat woensdag uit zijn kot te lokken: “De vraag die daarna gesteld is, over de nachtklok, dat is de realiteit. Die kunt u nu samen met uw ministeriële collega’s invoeren”, gooide ik hem voor de voeten in de hoop dat hij zou reageren. Hij liet verleiden en reageerde met het bevestigend antwoord: “Ik ga daar niet voor achteruit.” Voila, meester Frank kan desgevallend met zijn regeringsclub bepalen hoe laat u in uw kot moet wat het parlement dan in de media zal moeten vernemen.

Mijn maandenlange verzet tegen die pandemiewet en de activering daarvan deze week heeft alles te maken met de vraag of het parlement bij dergelijke vrijheidsbeperkende maatregelen een rol te spelen heeft of niet. Sommigen vinden dat allemaal niet zo belangrijk. Als er maar maatregelen worden getroffen, in open debat of in achterkamers, het kan blijkbaar niet iedereen evenveel schelen. Mij dus wel.

Gisteren viel me, al wandelend tussen de schapen, iets in waar ik al jarenlang niet meer aan had gedacht. Halfweg de jaren ’90 – in die jaren begon mijn leeftijd zowaar nog met een schamele 3 – vonden wij, angry young man, dat het IJzerbedevaartcomité tot een slappe hap verworden was die niet echt meer leek te geloven in Vlaamse zelfstandigheid en die boodschap dan maar verdronk in allerhande ander gedoe. Een beetje zoals de fabrikant van typemachines die overschakelt naar computers omdat de oude waar rijp geacht wordt voor het museum. Voor typemachines klopt dat; de Vlaamse strijd leek ons niet gestreden.

Naar onze – Jan Jambon was ook daarbij al een kompaan - vaste overtuiging vond de grote meerderheid van de IJzerbedevaartgangers, een groep mensen die toendertijd nog substantieel genoemd kon worden, ook dat er weer meer Vlaamsnational vuur over de IJzerweide moest laaien. De vroede IJzerbedevaartbestuurders vonden zichzelf evenwel goed bezig, al zeiden wij van niet. Welles, nietes, welles. Niet!

Toen meende ik het ei van Columbus voorbij te zien rollen. Laat de Bedevaarders zelf beslissen! We lanceerden daartoe de slogan INSPRAAK en lieten gelde sjaaltjes zwart bedrukken met die slagzin. Die gingen als zoetekoek rond de halzen van de militantere IJzerbedevaartbezoekers. (Dat heb je met beeldspraak. Je struikelt zo snel over de eigen trouvailles. Zoetekoek rond de hals, wat een onzin natuurlijk maar u bent wel mee, niet?) Ik zie de stugge en erg rechtlijnige professor Van Gerven, hoogleraar fysica, gespecialiseerd in platte beeldschermen-spitstechnologie en bondgenoot in onze queeste, nog altijd parmantig over de brug wandelen met zo’n sjaaltje rond zijn niet al te lang uitgevallen halsstreek en dito petje op de grijze krullen. We hadden wat over voor de goede zaak, zelfs publiek verschijnen in gekke maar alleszeggende uitdossing. De bijval was overweldigend en wij zagen apentrots dat het goed was. De grote meerderheid op de weide in Diksmuide schaarde zich achter onze eis om het debat over de koers van het IJzerbedevaartcomité open en democratischer te organiseren.

Edoch, het comité gaf geen krimp en hield het heft in de toch wel wat klam geworden handjes. Wij gooiden, de directe confrontatie vernietigender beoordelend dan de terugtocht, de halsdoek tijdig in de ring want een jaar later leidde de weigering om INSPRAAK te geven tot de taferelen met geduw en getrek op de weide zelf. Een wederzijds dieptepunt waar ik gelukkig geen getuige meer van was wegens de energie intussen weer bestedend aan nuttiger emplooi, te weten het activeren van de wel nog tekens van leven vertonende onderdelen van de Vlaamse Beweging. Mijn Ijzerbedevaart-portie lag intussen in het bakje van Fikkie, niet zonder hartenpijn daar achtergelaten.

Tussen de schapen gisteren terugkerend in de tijd, schoven mijn gedachten aansluitend nog een slordig anderhalf decennium verder tegen de klok in. Toen zat vader De Roover de koppigaard uit te hangen in de gemeenteraad van Berchem. De meerderheid bestaande uit CVP en BSP besliste een reeks gemeentelijke benoemingen door de raad te laten delegeren aan het schepencollege. Dat vond ons vader maar niks want zette de deur open voor politieke benoemingen buiten het zicht van het publiek. Poetsvrouwen, werkmannen – toen werden jobs nog geslachtsgebonden uitgeoefend – konden zo onopvallend gerekruteerd worden uit de eigen katholieke en socialistische achterbannen.

Jobs op de gemeente dienden toen nog nadrukkelijk om de eigen kiezers te bedienen. Daar had De Roover sr. het dus moeilijk mee. Jamaar, luidde het bij de meerderheid, die mogelijkheid is voorzien in de gemeentewet en dus vragen de Berchemse burgemeester en schepenen niets onwettelijk. Klopt, merkte De Roover sr. op. “En weet je wat ook in de gemeentewet staat? Dat elk gemeenteraadslid bij elk punt op de gemeenteraad de hoofdelijke stemming kan vragen.” En aldus geschiede om die benoemingspolitiek aan te klagen. Jarenlang duurden de Berchemse gemeenteraden uuurenlang omdat De Roover (samen met zijn kompanen André Filliers en Jan Maes – ode aan deze vergeten medestrijders voor de open democratie) elke keer hoofdelijke stemming vroeg. Vooral de begrotingen liepen uit tot meerdaagse nachtzittingen.

Trots op die rebelse vader verzamelde zijn zoon alle krantenartikels die over de zaak verschenen en liet die inbinden in een boekwerk dat ik ‘kiezel van de Grote Steenweg’ doopte naar analogie van ‘Keien van de Wetstraat’, het boek waarin Hugo De Ridder in 1983 de peripetieën uit de nationale politiek beschreef. Op de Grote Steenweg lag het Berchemse gemeentehuis dat weinig gemeen had met het parlement in de Wetstraat (en korte tijd later zou gesloopt worden) dus maakte ik van die ‘keien’ ook maar met passende zin voor maat ‘kiezels’. Zelfoverschatting behoort niet tot het nochtans ruime arsenaal familiekwalen.

Wat hebben de club van De Croo, het IJzerbedevaartcomité in de jaren ’90 en het CVP/BSP-bestuur van Berchem in de jaren rond ’80 met elkaar gemeen? Alvast drie dingen. 1) Ze hadden het voor het zeggen, 2) ze kregen een De Roover tegen die eiste dat ze open en transparant aan besluitvorming zouden doen in plaats van te konkelfoezen in het duister en 3) ze misbruikten hun macht om die eis af te wijzen.

Moraal van het verhaal? Wellicht meer dan één maar voor mij toch vooral deze: het zit in de familie blijkbaar en het zijn schone kinderen die op hun vader lijken, zelfs als dat is in het koppig aanklagen van machtsmisbruik. En als het al zo is dat velen zich niet aan storen aan achterkamerpolitiek, tja, dan moeten de weinigen het aanklagen hé.

Deze zondagse mijmering verscheen op Facebook op 14 november 2021.

Labels