Plaatsje zoeken op Vlaanderens drukke politieke kaart

Plaatsje zoeken op Vlaanderens drukke politieke kaart

 

Waarom ben ik eigenlijk actief binnen de N-VA? Tijdens mijn nieuwjaarstoespraken zocht ik een antwoord en dat schreef ik nu uit.
Voor de doorzetters, want het werd een forse tekst. Ik ga er altijd van uit dat ook in de politiek niet alles in een korte oneliner moet gewrongen worden.

VOORAF

Vlaanderen telt aardig wat politieke partijen. De vraag vanwaar de voorkeur voor de N-VA komt, klinkt dan ook niet zo gek. Wat volgt – een poging tot antwoord - betracht geen zwaarwichtige ‘objectieve’ analyse te brengen van Vlaanderens politieke aanbod, zoals bij lezing overigens snel zal blijken. Zoek er niet meer achter dan een even lichtvoetige als sterk persoonlijk gekleurde inschatting daarvan.

Elke politieke stroming heeft iets aanlokkelijks en alle begrip voor wie zich daar door aangesproken voelt, welke keuze dat ook moge zijn. Waarom die stroken zon volgens mij echter niet opwegen tegen de schaduwzijden, probeer ik hieronder uit de doeken te doen.

Uiteraard past niet elke liberaal in mijn tekening van die club, kleuren veel socialisten het rode hokje anders in dan ik dat doe, zal een ecologist wijzen op de vele tinten groen. Wat volgt, resulteert uit een mengeling van theoretisch leeswerk en dagelijkse ervaringen met concrete mensen uit diverse partijen. Het staat uiteraard iedereen vrij mijn persoonlijke inschattingen, hier niet zonder lichte neiging tot karikaturiseren weergegeven, resoluut af te wijzen.

Mensen met een bepaalde politieke kleur, hoe onderscheiden ze onderling ook kunnen zijn, vertonen naar mijn ervaring dikwijls toch herkenbare gemeenzame trekjes. Gelukkig maar want alle gezanik over particratie ten spijt: die eigen specifieke kleuring van stromingen maakt ons democratisch bestel toch nog een beetje hanteerbaar voor de kiezer.

_______

Mijn politieke belangstelling ontsproot ergens in mijn kleutertijd of laten we zeggen, kort daarna. Was het met trots of toch met vaderlijke ongerustheid dat mijn verwekker mij als kleine ukje met dobbelstenen verkiezingske zag spelen op het tapijt? Hij kon alleszins niet om de vaststelling heen dat het zaad niet op de rotsen was terecht gekomen. Partijpolitiek engagement, een pad waarop ook vaders voetsporen gepland stonden, leek een logisch vervolg. Ik begon daar jong aan en hield er niet veel minder jong weer mee op. Het aanbod in die tweede helft van de jaren ’80 zinde me niet voldoende om er in door te gaan.

Pas na een drietal decennia, waarin ik de wereld leerde kennen zoals die buiten de politieke stolp draait, kroop het bloed waar het zo lang niet gaan wilde en haakte ik weer in. Overtuigde het aanbod me in 2014 wel? De talrijke nieuwjaarstoespraken 2020 waarvoor ik werd uitgenodigd, leken mij het passende kader te bieden om die vraag nog eens aan te snijden, me daardoor verplichtend ze eerst voor mezelf te beantwoorden vanuit een breder perspectief dan de dagelijkse politieke opstootjes. Ziehier het resultaat van die oefening:

Blijkbaar leeft hier en daar de bizarre overtuiging dat iemand totaal kan instemmen met een volledig partijprogramma en dat het bovendien een voorwaarde zou vormen om politiek actief te kunnen worden. Niet dus. Of de regel ‘hoe meer iemand het eens is met een partij, hoe lager die in de partijhiërarchie staat’ altijd opgaat, weet ik niet, maar het zou wel geruststellen mocht die kloppen.

Partijen die meer dan één lid tellen, steunen altijd op compromissen. Ze vormen een ploeg waar dan ook als ploeg dient gespeeld te worden en niet volgens ieders particuliere inzichten. Het eigen grote gelijk moet het interne debat voeden maar het idee dat de besluitvorming altijd op dat punt hoort te eindigen, is behoorlijk wereldvreemd. De voordelen van het parlementaire partijenstelsel maken de inspanning om in groep op te trekken zeker het leveren waard. Dat wil uiteraard niet zeggen dat die rekkelijkheid geen limieten zou kennen. Loyauteit en slaafsheid mogen nooit synoniemen worden. Politici moeten vermijden onderling uitwisselbare rondelletjes te worden, zonder evenwel koppige eigenzinnigheid te cultiveren als hét kenmerk waaraan je de betere politicus zou herkennen.

Niet iedereen kan zich verzoenen met de harde waarheid dat de eigen persoonlijke overtuiging niet altijd de enige juiste of zelfs de meest juiste zou zijn. Dat onvermogen in groep te kunnen functioneren, wordt graag gesublimeerd tot kritiek op de vermaledijde particratie. Daar tegen ageren klinkt beter dan toegeven een zelfingenomen betweter te zijn. Doorgaans zit achter die kritiek op ‘de particratie’ vooral de overtuiging dat alleen een structureel mankement kan verklaren waarom de partij niet altijd de mening van de betrokkene volgt. Een gezonde combinatie overtuiging met bescheidenheid en compromisbereidheid blijft noodzakelijk om binnen een groep te kunnen functioneren en jawel, politieke partijen vormen een groep.

Dat na het compromis binnen de eigen partij er bij eventuele regeringsvorming nog een volgt, versterkt de indruk dat het allemaal over één grijze pot politiek nat gaat. Neem evenwel aan van deze ervaringsdeskundige dat het wel degelijk een verschil maakt of de ene dan wel de andere partij het zwaarste gewicht in de schaal kan werpen.

RUIM ASSORTIMENT

De schappen in de rayon ‘politiek’ wachten rijkelijk gevuld op klandizie. In zowat alle democratische landen ligt er één of andere vorm van liberalisme op de keuzeplank. Deze oude en eerbiedwaardige politieke stroming wordt in Vlaanderen geacht de vertegenwoordiger te vinden in Open VLD. In Nederland beroepen twee partijen zich formeel op dat gedachtengoed. Of Open VLD, de Nederlandse VVD dan wel D’66 of een vorm van Macronisme de meest passende vertaling vormt van ‘het’ liberalisme, blijft hier onbehandeld. Door de pure actualiteit te mijden, houden we ons ook verre van de dagjespolitiek want voor we het goed en wel beseffen gaat het dan over de recentste strapatsen van VLD’er/’ster X of Y in plaats van over het liberalisme.

Welke invulling we ook aan dat begrip geven, de aantrekkelijke kant er van staat voor mij buiten kijf. Het politieke 19e eeuwse liberalisme ontstond trouwens hand-in-hand met het nationalisme. Beide stromingen wortelen in bevrijdingsideeën en het hoge goed dat de liberale bevrijding van het individu vormt, willen we absoluut niet kwijtspelen.

Toch kon de term liberalisme nooit voldoende bekoren om me onder dat etiket te scharen. Liberalen hebben de sterke neiging de twee voetjes waarmee een mens de grond raakt voldoende te achten om het leven in te richten, los van traditie, afkomst of omgeving. Een slogan als ‘Vlaanderen of Timboektoe; het doet-er-ni-toe; als ik het maar op mijn manier doe’ zou zo uit een liberale koker kunnen rollen. De ambitie van Icarus die meende op eigen vleugels naar de zon te kunnen vliegen, bleek al te veelvuldig heilloos om mij nog te kunnen bekoren, hoe zeer liberale peptalk daar ook toe probeert te verleiden. Moed zonder realisme wordt overmoed en botst met wijsheid, zegt dat altijd kritisch opspelend stemmetje in mij.

Gelukkig – en deze zin zullen weinig N-VA’ers me natikken, gelieve die dus buiten de context nooit te citeren – zijn er socialisten. Die begrijpen tenminste dat de mens meer is dan een godgelijke enkeling die het op eigen houtje kan rooien. Dat besef, dat ik deel, doet me naar het socialistische verhaal neigen, evenwel zonder dat pad al te ver te bewandelen.

Socialisten vullen de ruimte buiten dat individu meteen in met overheid, vertegenwoordigd door politici die het volk gelukkig menen te kunnen maken. Begeleid, beschermd en de weg gewezen van wieg tot graf hoeft de burger zich verder geen zorgen te maken. Vadertje Staat zorgt en verzorgt.

Die term ‘vadertje staat’ misleidt zeer want een echte vader begeleidt zijn kinderen naar volwassenheid, het socialisme houdt de burger bij voorkeur afhankelijk van de welvaartsstaat om niet te zeggen dat het de indruk wekt volwassenen naar kindsheid te willen leiden. De deal is duidelijk: de socialist belooft een gouden kooi, als het vogeltje maar aanvaardt dat het deurtje alleen open gaat om zaad in het bakje te laten strooien, nooit als uitnodiging om vrije ruimte te verkennen.

Daarmee is ook aangegeven hoe beide stromingen de staat principieel benaderen. Terwijl de liberaal die in beginsel steeds kleiner wil zien worden en liefst totaal overbodig, zet de socialist net alles in op de uitbouw van een sterke en veelomvattende overheid. Het liberale automatisme dat minder staat altijd gelijk stelt aan betere staat, klinkt me te eenvoudig. De afkeer van socialisten voor de markt maakt hen dan weer blind voor het feit dat een overheid en het politieke kader daar rond ook een markt vormt, met uitruil op basis van macht en belangen.

Het moge – even tussendoor - opgemerkt worden dat politici congenitaal neigen naar socialisme, aangezien zij als deel van de wetgevende dan wel uitvoerende macht aan het roer staan van de overheid. ‘L’état, c’est nous’, luidt het onuitgesproken credo in de wandelgangen van parlement en kabinetten. In de mate de overheid het heft in handen neemt, kunnen politici zich het centrum van de relevantie wanen. In welke kleur een politicus zich ook tooit, altijd schuilt wel ergens de zucht naar regelneverij. Hoe roder de tint, hoe sterker die neiging uiteraard.

Die verstikkende drang van socialisten om meteen voorbij het in de regel armlastig geachte individu ‘overheid’ in te schakelen, behoedt mij voor de stap naar die familie. Tussen het zelfgenoegzame liberale individu en de allesoverheersende socialistische overheid staat het levende private middenveld, de plaats waar burgers elkaar in vrijheid treffen, ondersteunen, stimuleren, met elkaar samenwerken. Door mijn afslag weg van rood lijk ik hiermee in oranje vaarwater terecht te komen.

VRIJE MIDDENVELD

De meest aantrekkelijke kant van de christendemocratie zit inderdaad in die keuze voor het maatschappelijke middenveld, breder dan het alleenstaande individu, vrijer dan de overheidssector. Abraham Kuypers’ calvinistische leer van de soevereiniteit in eigen kring zorgde in Nederland voor een religieus onderbouwd maar ook voor niet-calvinisten boeiend theoretisch kader.

Maar er is een maar. Ooit in het verleden verwerd dat christendemocratisch middenveld, wellicht in een vergelijk met de socialisten, tot een gesubsidieerde zaakwaarnemer van overheidstaken en daarmee ook verlengstuk van de overheid, onderworpen aan overheidsregels zonder er formeel deel van uit te maken. Gaat het daarbij over een geprivatiseerde tak van de overheid of een verstaatste vorm van de vrije samenleving? Alleszins evolueerde het verzuilde middenveld daardoor te veel weg van het project van vrije associaties.

Dat blijkt bijvoorbeeld heel sterk uit reacties wanneer gesneden wordt in subsidies. In sommige kringen valt bijvoorbeeld zowaar te noteren dat cultuur niet mogelijk is zonder ruime subsidiestromen van de overheid. Cultureel ondernemen zou alleen lukken mits gedreven met belastinggeld, te weten geldstromen bedeeld door de politiek en dientengevolge onvermijdelijk aan door de overheid opgelegde bureaucratische regels en dito controles onderworpen. Logisch dat niet alleen de ontvangers van subsidies dol zijn op die geldstromen; politici vinden daarin als bedeler een belangrijke bestaansreden.

Vergeten we voor de volledigheid vooral niet dat in economisch ondernemende kringen even gretig naar subsidiestromen gegraaid wordt. Werkgeverslobby’s bepleiten actief het behoud en zo mogelijk de uitbreiding er van. Het zijn niet alleen de ‘linkse subsidieslurpers’ die graag aan de overheidsspeen lurken.

Die verknoping tussen middenveld en overheid verklaart de achterdocht in Vlaams-nationale kringen voor het begrip ‘middenveld’ zoals zich dat bij ons ontwikkelde. Dat is spijtig en storend defensief, want het ondernemende Vlaanderen – economisch, cultureel, sociaal of anderszins - vormt de concretisering van de zelfbesturende Vlaming.

Hoe zit het met de groene kleur in het politieke spectrum? Die trekt me in beginsel zeer aan. Ik beschouw me als een groene jongen maar zeker geen jongen van groen. Uiteraard hoort iedereen met een hart voor de eigen streek – wat toch hét kenmerk van nationalisten hoort te zijn – sterk ecologisch bewust te leven en ijveren. Vlaanderen is die unieke strook van de wereld die ons in de schoot viel, een tweede vervang-Vlaanderen hebben we niet. Uitwijken biedt voor nationalisten geen echte optie. Eén van de voordelen van het uitgangspunt dat er voor de eigen geboortegrond geen volwaardig alternatief bestaat, zit in de consequentie dat je die geboortegrond dan ook moet koesteren en bewaren. In het Latijn heet bewaren ‘conservare’ en die conservatieve basis van het ecologisme zint me zeer. Reden genoeg om een eind de groene richting uit te fietsen.

Maar het station van Groen bereik ik evenmin. Daarvoor zijn ecologistische partijen doorgaans – en zeker in dit land - te weinig consequent door het behoud van de eigen cultuur amper of geen waarde toe te kennen. Dat Ecolo/Groen dan nog een marktgat proberen te zoeken in een neobelgicisme maakt het al helemaal bizar.

Bijkomend probleem: ecologisten wekken zo gemakkelijk de indruk niet zozeer een mening toegedaan te zijn maar zich woordvoerders van de waarheid te wanen, niet eens zomaar een waarheid maar dé Waarheid. Ze situeren zich aan de zijde van het Leven, daarvoor strijdend als missionarissen zonder god. Wie niet met hen is, wordt niet gezien als andersdenkende maar verketterd als vijand van de Waarheid, van het Leven zelf en hinderpaal in hun levensreddende missie. Onverdraagzaamheid en neiging tot totalitair denken vormen logische gevolgen van dergelijke opstelling (wat geldt voor al wie gelooft in een unieke Waarheid, hét Ideaal, niet alleen voor ecologisten). Dat hoeft niet altijd op te gaan voor alle ijveraars in zo’n partijen, dikwijls zachtaardige goed menende idealisten, maar het voor vele ecologisten typerende gebrek aan zelfrelativering - en doorgaans ook aan humor - maakt die stroming voor mij onaantrekkelijk en dikwijls zelfs bedreigend voor vrijheid van doen en denken.

SIMPELE OPLOSSINGEN

Het keuzepalet is daarmee nog niet afgewerkt. Aan de rechterrand lonkt en lokt het Vlaams Belang, samen met de PVDA dé specialist van de simpele boodschappen. Laat me populisme definiëren als het in eenvoudige beelden aanduiden van een probleem, dat vervolgens zo veel en ongenuanceerd mogelijk dramatiseren en daartoe ogenschijnlijk doeltreffende oplossingen formuleren die de eigen achterban niet treffen. Wel, dan is elke aan stembusslagen deelnemende partij wel in min of meerdere mate populistisch, zeker als ze zich tot doel stelt ietwat zegerijk uit het kieshokje te komen. Sommige partijen gaan daar verder in dan andere en het VB concurreert in de strijd voor de meeste sterren in die rangschikking graag met de PVDA.

Ook het VB heeft, wat mij betreft, iets aantrekkelijks in de aanbieding. De belofte op te komen voor Vlaamse eigenheid, tegen verstikkende vervreemding spreekt zeer aan, ook mij. Bewaren van de gekende wereld waarin we opgroeiden en waarin we ons veilig voelden is een velen dierbaar streven. Men zou het cultureel ecologisme kunnen noemen. Heimwee doet ook harten van wie Armand Preud’homme niet kent verlangen naar de heimat hunner jeugd.

Hoezeer ik die bekommernis herken, toch kan de politieke vertaling van het Belang me niet bekoren. Die Vlaamse eigenheid wordt in VB-kringen erg geïdealiseerd en, niettegenstaande het gebruik van de meest moderne communicatietechnieken, licht mottenballengeur verspreidend gepresenteerd. Dat de massale inwijking van de voorbije decennia de leefwereld van veel mensen – waaronder die van de inwijkelingen zelf trouwens – verstoort, kan niet ontkend worden. Wie dat onder het tapijt schuift, staat los van de leefwereld van heel veel mensen. Of het daarbij echter helpt de problemen het hoofd te bieden door de angst voor ‘de nieuwe wereld’ consequent aan te jagen en het probleem zo fel mogelijk uit te vergroten, betwijfel ik erg. Nochtans probeert het VB het eigen handelsfonds met die techniek uit te breiden.

Een even fundamentele kritiek betreft de manier waarop die partij politiek bedrijft – of beter: niet bedrijft. Wanneer in zijn taalgebruik elke vorm van compromis weggezet wordt als verraad en slappe knieënpolitiek, rest slechts de vaststelling dat het VB wacht met zijn toverstokjesoplossingen tot de dag dat die partij de volstrekte meerderheid binnenrijft. Die zwart/wit-benadering typeert illusieverkopers met revolutionaire ambities. De vaststelling dat revoluties vooral terreur en slachtingen veroorzaken, bezorgt mij als overtuigd antirevolutionair een diepe afkeer voor elk simplistisch omwentelingsverhaal. Ook een rechtse revolutie is een revolutie en mij dus een gruwel.

Het cordon sanitair is daarbij de perfecte bondgenoot van het VB. Omdat de andere partijen – op de N-VA na – zich blijven afzetten van elke poging om na te gaan in hoeverre het VB bereid en in staat is om compromissen te sluiten, kan die partij zich verontwaardigd blijven opsluiten in het eigen grote gelijk. Eigenlijk speelt het VB eerder de rol van drukkingsgroep dan van politieke partij. Als het daarbij klopt dat het in het land als maar slechter loopt, een in VB-kringen veel gehoorde bewering, dan vervult die partij de rol van drukkingsgroep, nu al zowat 40 jaar, met weinig succes. Tijd om de eigen aanpak in vraag te stellen, denk je dan, maar wellicht is het niet zo dwaas om liever te rekenen op het korte geheugen van de kiezer.

REALISME EN ZELFBESTUUR

Tot zo ver het aanbod. Liberalen lijden aan overmoed, hybris, socialisten schatten de mensen dan weer te machteloos en hulpbehoevend in, christendemocraten ontbreekt het aan pit en durf, groenen combineren naïviteit met een neiging tot totalitaire gelijkhebberigheid, het Belang is me te verkrampt en revolutionair. Vergat ik de communisten van de PVDA? Voor de volledigheid dan: die verwijt ik, naast simplisme, een gebrek aan kennis van de geschiedenis, die wat het communisme betreft meer dan overtuigend moet genoemd worden.

Het palet is breed en toch blijf ik als kritische politieke consument op mijn honger bij dit aanbod.

Door de opgesomde mankementen om te keren, komen we wel bij een combinatie die mij kan aanspreken. Gooi volgende ingrediënten maar in de betere cocktail: het geloof in de vrije en verbonden burger, als onderdeel van een vrij en verbonden middenveld, strevend naar een sterke maar terughoudende overheid, die een groot belang hecht aan het leefmilieu, de veiligheid en eigenheid van de Vlamingen, tradities koestert zonder te trappen in de valkuil van de verkramping. Het plaatje van een partij die zelfbestuur voor alle Vlamingen in een zelfbesturend Vlaanderen nastreeft en daarvoor inzet op het thuisgevoelen als basisrecht voor iedereen, oogt aantrekkelijk.

In onze persoonlijke levenssfeer weten we daar wel mee om te gaan. We waarborgen de mogelijkheid op een warme thuis middels de fenomenaal handige uitvinding van de voordeur. Een voordeur vormt een compromis, eentje tussen een muur en een gat, en combineert twee kwaliteiten: ze kan open gaan en dicht. Om thuisgevoel mogelijk te maken moeten we die voordeur op politiek niveau vertalen als een sterke en gecontroleerde grens, een compromis tussen een ommuurde vesting en een opengrenzenbeleid.

Voeg bij dat alles nog een scheut antirevolutionair realisme als remedie tegen naïeve wereldverbeterij en zin voor evenwicht – in de wetenschap dat de grootste vijand van het goede beweert te streven naar het perfecte - dan begint dat voor mij zo wel ongeveer de vorm aan te nemen van de partij waar ik in wil militeren.

Beschreef ik daarmee de N-VA? Wellicht niet helemaal, niet altijd, niet in alle acties en standpunten. Schreef ik niet dat niemand zich echt kan vinden in de totaliteit van een partijprogramma, laat staan in alle optreden van een politieke formatie? Dat van het hele Vlaamse aanbod de N-VA wel met afstand het dichtste in de geschetste buurt komt, dat meen ik te leren uit de theorie van programma’s en de praktijk van concrete acties. Vandaar… wat mij betreft.

 

Tekst verschenen op mijn FB-pagina op 27 februari 2020.

Afbeelding: L’Assemblée constituante, karikatuur van Cham (1818-1879). Politiek gebakkelei is van alle tijden.

Labels