"Ik ben heel bekommerd om het verglijden van de rechtstaat"

"Ik ben heel bekommerd om het verglijden van de rechtstaat"

Peter De Roover (58) is Kamerfractieleider van de N-VA. Voor zijn overstap naar de partijpolitiek in 2014 was hij vooral bekend als Vlaamsgezind opiniemaker – hij schreef onder meer voor Weekblad ’t Pallieterke – en om zijn rol binnen de Vlaamse Volksbeweging, die hij samen met Jan Jambon (N-VA) op de kaart hielp zetten.

Waar had u het naar eigen aanvoelen het meeste impact, in het middenveld of in de partijpolitiek?

“Ik denk dat we met de VVB in die tijd een relatief behoorlijk parcours hebben gereden. We waren heel nadrukkelijk aanwezig in de media, veel meer dan de Vlaamse beweging vandaag. Heb je dan impact? Dat is heel moeilijk in te schatten. Ik denk dat we toch mee aan de wieg zaten van een stroming, die onder meer in de N-VA is uitgevloeid. Ik heb daar een rolletje in gespeeld. Ik ga daar geen punten aan geven.”

“Ik ben fractievoorzitter geweest in een regeringsformule, in de huidige oppositieperiode en in een tussenperiode waarin we niet in de regering zaten maar deze wel aan een meerderheid konden helpen. Vooral in die laatste positie kreeg de fractie veel gewicht, omdat men ons vanuit de regering moest benaderen om ons op te vrijen om aan onze stemmen te komen. De huidige oppositierol geeft meer vrijheid, maar ook meer frustratie omdat je natuurlijk vaak een roepende bent in de woestijn. Ik ben realistisch in het leven, en zeker ook in de politiek. Ik weet wat kan en wat niet kan. Als je al een steen hebt verlegd in de rivier, dan heb je al meer gedaan dan gemiddeld kan verwacht worden.”

“Het middenveld en de politiek zijn alleszins anders. In de Vlaamse beweging was het vooral de vraag ‘wat’, nu, als politicus, is het vooral de vraag ‘hoe’. Daarnaast kan ik binnen de N-VA meer mijn gedacht zeggen over verschillende thema’s, wat bevrijdend is. Binnen de Vlaamse Volksbeweging zag ik strikt toe op pluralisme, waardoor ik mezelf wat censuur oplegde en mij enkel uitsprak over het thema staatsvorming.”

Hebt u soms heimwee naar het communautaire ‘klimaat’ van de jaren ’90 en ’00?

“Toen ik jong was had het belgicisme een oubollig karakter. De term Vlaanderen had daarentegen een rebels karakter. We moeten opletten dat het omgekeerde zich niet voordoet, dat jongeren bij jongeren geen ‘modernere’ reflex krijgen bij het woord België dan bij het woord Vlaanderen.”

Je mag natuurlijk geen valse verwachtingen scheppen. Daar heb ik me zelf ook aan bezondigd. Ook Vlaanderen zal mankementen hebben, dat kan ook niet anders. Ik ben voor een realistisch idealisme, om het zo te noemen. Weet ten eerste dat het traag gaat – Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd – en besef ten tweede dat niks gegarandeerd is.”

“Onder meer door corona is iedereen, behalve echt koppige mensen, het erover eens dat de Belgische staatsstructuur gewoon manifest slecht is. Een efficiënt beheer van deze crisis kan binnen deze staatsstructuur niet. Het is interessant om vast te stellen dat diegenen die pleiten voor herfederalisering, laat staan unitaire oplossingen, eigenlijk dezelfde analyse maken als ons: namelijk dat de status quo slecht is.”

Vanwaar komt uw Vlaamsgezindheid?

“Dat is langs mijn buik binnengekomen en in mijn hersenpan blijven hangen. Ik kom uit een Vlaamsgezinde familie. Van de eerste dag dat ik op de aarde kwam heeft mijn vader mij – op een niet-drukkende manier weliswaar – daarmee beïnvloed. Ik ben van opleiding economist, dat betekent dat je iets meer met cijfers bezig bent, maar in mijn hart voel ik mij historicus. Die combinatie zit in mij. Enerzijds roept het woord Vlaanderen, of het beeld van de Vlaamse Leeuw, een emotioneel gevoel in mij op. Dat raakt mij. Daar komt een rationele staatkundige vaststelling bij dat de huidige structuur gewoon niet werkt.”

“Daarnaast geloof ik in kleinschaligheid. Mijn democratisch hart vertaalt zich in het geven van zoveel mogelijk autonomie: bij voorkeur aan de burger, waar het kan aan de gemeente, waar het moet aan het land – in dit geval Vlaanderen, en dan heb je daar nog bovennationale structuren zoals de Europese Unie die zeker hun nut hebben. De klemtoon moet zo laag mogelijk liggen. Kleinschaligheid is autonomie. Autonomie is betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Er bestaat een tendens waarin mensen voor elk probleem de staat als oplosser inroepen en hun eigen machtsmogelijkheden wegcijferen. De overheid noemt men ook niet toevallig ‘vadertje staat’. Dat is een gevaarlijke term, omdat het heel sympathiek klinkt. Het cruciale verschil met een echte vader is dat een echte vader zijn kinderen naar volwassenheid brengt. Maar vadertje staat probeert zijn kinderen in de afhankelijkheid van de kindertijd te houden, omdat die staat daarvan leeft.”

“Ik ben geen anarchist. Ik vind de staat nodig, máár dan wel zo slank en efficiënt mogelijk. Ik vertaal dat in nationalisme. Die term kan natuurlijk ook het omgekeerde betekenen: een Europees nationalisme, waar alle macht gecentraliseerd wordt. Ook dat is een vorm van nationalisme. Mijn nationalisme is heel anders. Dat van mij is tégen het gigantisme en naar beneden gericht. Dat heet zelfbestuur.”

Is de Vlaming ook niet in dat bedje ziek, die neiging naar gigantisme of de verknochtheid aan vadertje staat?

“Dat zijn nog twee verschillende dingen. Over dat gigantisme. Ik hou nog altijd van Europa, maar dan denk ik aan regionale diversiteit. Als ik naar Italië, Bulgarije, Portugal of Zweden ga, dan wil ik iets anders tegenkomen. De Europese Unie is net een gelijkschakelaar.  Dat gaat in tegen dat sympathieke, diverse Europa, maar heeft wel dezelfde naam. Dat is verwarrend. Ik ben niet tegen Europa, maar ben er wel tegen dat mijn kleinkinderen enkel aan de thermometer zouden kunnen zien of ze in Palermo of in Stockholm zitten.”

“Over die verknochtheid aan vadertje staat: ook de Vlaming zit in een gouden kooitje, en als de deur van dat kooitje opengaat hebben wij jammer genoeg niet de bedoeling naar buiten te vliegen. Wij hopen net dat dat er een hand binnenkomt die het bakje opnieuw vult. De Vlaming is daarin niet anders dan wie dan ook. Politici hebben ook de neiging dat te versterken. Als een politicus op straat aangesproken wordt door een burger met een probleem, gaat die politicus nooit zeggen dat hij zijn probleem zelf moet proberen op te lossen. Dan haalt hij geen stemmen en zal hij zich niet relevant voelen. Een bijkomend voordeel is dat al deze oplossingen veelal nieuwe problemen creëren. Die kan de politicus dan weer oplossen. Dat is leuk want dan is hij opnieuw de held van het dorp. En wie wil nu niet de held van het dorp zijn?”

“Je hoort nu met corona plots overal dat we meer overheid nodig hebben, terwijl meer dan 50 procent van het bbp via de overheid worden verdeeld. Als we nu op 20 of 25 procent zaten, dan zouden we inderdaad de vraag kunnen stellen of we de overheid niet aan het uithollen zijn. Maar als men nu zegt dat we de overheid opnieuw moeten ontdekken… Ja, dan weet ik het niet. Moeten we dan naar 70 procent overheid? Men doet alsof alles wat de overheid niet naar zich toetrekt een gunst is, maar het is net het omgekeerde. Elk percentage dat de overheid neemt, is het afnemen van autonomie. Tot op een bepaald punt is dat verstandig, maar ik denk dat we al lang over dat punt heen zijn. Dat creëert een afhankelijkheidsindustrie.”

Jullie leken na de vorige verkiezingen de analyse gemaakt te hebben dat de N-VA een socialer profiel moest krijgen.

“Wanneer de indruk is ontstaan dat wij een puur commerciële, cijfermatige, economisch liberale partij zijn, dan vind ik het goed dat die indruk wordt weggenomen. Dat is geen tendens naar verstaatsing. Ik pleit voor de burgersamenleving en niet alleen het commerciële luik daarvan. Het middenveld moet gekoesterd worden - niet het verzuilde middenveld, maar de levende gemeenschap Vlaanderen. Ik ben een groot voorstander van de vrije markt, laat daar geen misverstand over verstaan. De vrije markt, als techniek om producten te produceren, is natuurlijk superieur. Maar dé markt is ook maar een onderdeel van het leven. De mooiste dingen ontstaan buiten die markt.”

De laatste weken was er heel wat te doen rond het uitblijven van een pandemiewet. Jullie kwamen met een eigen voorstel. Wat was jullie opzet?

“De wet op de civiele veiligheid is op zich een goede wet. Die geeft de uitvoerende macht in het geval van een crisis de macht om meteen passende maatregelen te nemen, waarbij deze het parlement op dat moment links kan laten liggen, wat in acute of dringende omstandigheden zelfs goed is. Het probleem is dat de regering-De Croo zich een jaar na de corona-uitbraak nog altijd op die wet baseert en werkt met ministeriële besluiten, die niet in het parlement komen.”

“In de eerste fase van de crisis is dat geen probleem. Maar iedereen - juristen, academici, het hof van beroep, de advocatenbalies, voormalig minister van Justitie Koen Geens; zelfs de regering en in het bijzonder minister Verlinden - al wil ze dat niet toegeven - is het erover eens dat men overdrijft door nog altijd op deze manier te werken, dat men zich op glad ijs begeeft. Onze fractie en ikzelf waren de eerste om dat aan te klagen, gaandeweg is daar meer bijval voor gekomen.”

“Er zijn twee mogelijkheden om het probleem op te lossen. Ten eerste is er de pandemiewet van de regering, waarbij die regering aan het parlement zal vragen om een wet goed te keuren die bepaalt op welke punten het parlement zichzelf buitenspel zet. Kortom, hetzelfde wat men nu doet, maar dan op basis van een wet die de wet op civiele veiligheid aanvult wanneer de crisis langer duurt.”

“Wij stelden het omgekeerde voor. Na die eerste acute fase moet het parlement de besluitvorming terug in handen krijgen. Tijdens die crisisperiode moet elke maatregel van de regering eerst naar het parlement, behalve in acute omstandigheden. Ook in dat laatste geval moet de maatregel nadien naar het parlement. Het parlement wordt ook in crisismodus gebracht. Als het dan toch crisis is wordt iedereen geacht harder, sneller en desnoods ’s nachts te werken. De besluitvorming moet binnen de zeven dagen rond te krijgen zijn, terwijl dat nu soms weken of maanden kan duren.”

“We tolereren met andere woorden niet meer dat een minister zomaar een nachtklok invoert, de grenzen sluit of bepaalt dat je je grootouders niet meer mag ontvangen. Ik hoop dat iedereen beseft hoe ingrijpend zulke maatregelen zijn. Het parlement moet zo’n dingen beslissen, na grondig debat. Ik ben momenteel heel bekommerd over het verglijden van de rechtstaat.”

Vreest u dat de democratie of de rechtstaat permanent letsel oplopen?

“Ik wil er niet op wachten. Maar we moeten wel een garantie inbouwen dat we geen blijvende littekens oplopen. Heel veel maatregelen gaan uit van een wantrouwen tegenover de burger. Ik vind het goed dat de virologen rapporten opstellen. Ik vind het goed dat het overlegcomité daar politieke besluiten uit trekt. Maar die moeten natuurlijk voor het parlement komen, daar moeten een grondig debat over komen, met pro’s en contra’s.”

Veel debatten gaan tegenwoordig over ‘het primaat van de politiek versus de adviezen van experten’.

“Experten zijn belangrijk, niet alleen virologen. Een viroloog heeft maar een doelstelling: naar nul infecties gaan. Terecht. Maar iemand die bezig is met een begroting heeft maar een doelstelling: een begrotingsevenwicht,  iemand die bezig is met mentaal welzijn heeft maar een doelstelling: zoveel mogelijk mensen die zich goed in hun vel voelen. Al die experten hebben adviezen en de politicus moet die samenbrengen. Hij is verantwoordelijk voor de totaliteit van de beslissing en moet er verantwoording voor afleggen in het kieshokje. Men zal nooit aan een viroloog vragen om in tv-studio’s de werkloosheid toe te lichten. Ik ben geen voorstander van een technocratie, waar de macht in handen van de specialisten terecht komt.”

“Het toppunt is dat toen ik op de radio ondervraagd werd over ons voorstel, dat men vroeg of dat niet tot discussies zou leiden. Ik mag het hopen, dat is net de bedoeling! Democratie betekent net dat ten gevolge van discussies een keuze wordt gemaakt. Niet dat de discussie als dusdanig als gevaarlijk wordt ingeschat. Het moet wel ‘evidence based’ gebeuren.”

Hoe verklaart u de verkiezingsnederlaag in 2019?

“Wellicht waren de verwachtingen van velen die voor ons gestemd hebben onrealistisch hoog. Ik verwijt hen dat niet. Dat is het resultaat van coalitievorming. In 2016 heb ik een boekje uitgegeven: ‘Beter dan beweerd, minder dan verhoopt’. Ik denk dat die titel het gevoel mooi samenvat. De teleurstelling van de mensen die de politiek niet van dag tot dag volgen, begrijp ik wel. Maar die teleurstelling zullen ze ook hebben bij andere politieke partijen.”

“Daarnaast heeft de grote winnaar, het Vlaams Belang, natuurlijk het voordeel van de maagdelijkheid. Een maagd kan altijd de indruk wekken dat ze een absoluut topnummer kan opvoeren in bed. Het is namelijk nooit bewezen en het zal ook nooit bewezen worden. Dan kan die teren op de illusie van eenvoudige oplossingen voor wat in de praktijk ingewikkelde problemen zijn. En als signaal is dat op zich niet slecht.”

“Ik blijf er wel bij dat het dankzij die verkiezingsuitslag is dat we nu met een centrumlinkse regering zitten. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van die kiezer. Ik maak de kiezer geen verwijten. De kiezer heeft altijd gelijk, maar hij moet wel leren leven met de consequentie van die keuze. Het zal niet het VB zijn dat het beleid naar rechts duwt. Dat zal alleen de N-VA kunnen doen. Als de N-VA voldoende verslapt om niet incontournable te zijn, dan zal men daar gebruik van maken om een regering te maken zoals deze. De kiezer mag liever een radicaal signaal uitsturen dan een matige koerswijziging te bekomen. Ik niet, ik heb liever een matige koerswijziging dan een radicaal signaal dat de anderen weer aan de macht brengt.”

“De vluchtelingencrisis speelde natuurlijk ook mee. En voor heel veel mensen heeft dat gevolgen in het dagelijkse leven waar ze niet voor gekozen hebben. Tom Van Grieken is natuurlijk een zeer goed politicus. Die heeft aardig wat mogelijkheden om daarop te kapitaliseren.”

U verwijst naar de ‘maagdelijkheid’ van het Vlaams Belang, wilt u hen niet liever betrekken?

“We moeten bereid zijn om met iedereen die door de kiezer een bepaalde macht heeft gekregen samen te werken in het parlement. Onze fractie is de enige in de Kamer die voorstellen van het VB telkens op hun eigen waarde beoordeelt en soms voor en soms tegen stemt. Anderen stemmen altijd tegen, louter omdat het voorstel van het VB komt.”

“Men wil niet eens het normale democratische spel spelen, zoals verslaggevers voor VB-voorstellen in commissies aanduiden. Daar houd ik niet van. Er zitten goede en fijne collega’s in die fractie, waar ik absoluut ‘on speaking terms’ mee ben. Voor alle duidelijkheid, dat ben ik ook met Raoul Hedebouw van PVDA. De kiezer bepaalt of een partij in het parlement zit. Daar moet je respect voor hebben. Anders moet je de verkiezingen afschaffen.”

“Ik ben bereid om met iedereen samen te werken, op voorwaarde dat het de N-VA helpt. Ik ben helemaal niet verkozen om het VB-programma uit te voeren. Wie dat wil moet voor hen kiezen. Ik ben verkozen om het programma van de N-VA uit te voeren. Mijn vraag is dan: ‘Hoe nuttig zijn jullie als coalitiepartner?’ Brengen wij daar ons eigen N-VA-programma mee in het gedrang, of kunnen we daarmee de kans op realisatie versterken? Het antwoord daarop is niet geruststellend. Het VB blinkt niet uit in compromisbereidheid. Mijn vraag is niet ‘Wat willen wij doen om het VB erbij te krijgen?’, maar ‘Wat wil het VB doen om erbij te zijn?’”

Heeft u dan met Open Vld en CD&V wel het gevoel dat ze helpen om jullie programma te realiseren? Zij hebben jullie wel buitengesloten op federaal niveau.

“Wat ze federaal gedaan hebben is geen goede zaak. Ik zit niet in hun partijbestuur, dus ik kan daar weinig invloed op uitoefenen. In Vlaanderen hebben wij de enige coalitie gesmeed die een meerderheid had en waarin wij voldoende van ons programma gerealiseerd zagen. Dat is een coalitie, dus dat betekent een evenwicht zoeken. Er zijn dingen waar je tevreden mee bent en andere dingen waar je minder tevreden mee bent. Wij mogen als Vlaams-nationalistische partij Vlaanderen niet in de onbestuurbaarheid duwen omdat er op federaal niveau iets misloopt. Het omgekeerde is iets anders.”

U blikte vooruit naar het eerstvolgende N-VA-partijcongres als moment van herbronning. Wat is voor u een kernpunt dat daaruit moet voorvloeien?

“Het juist definiëren van het fenomeen ‘gemeenschapspartij’. Dat wij een Vlaanderen willen dat bestaat uit actieve Vlamingen, die zoveel mogelijk ruimte hebben om te doen wat ze willen doen en die daar ook niet te zeer beknot in worden door allerhande verboden, noch verboden om iets te doen, noch verboden om iets te zeggen of te denken. De overheid moet slank uitgebouwd worden als verdediger van de belangen van die gemeenschap.”

“Ook de Vlaamse overheid moet trouwens oppassen voor betutteling. Dat is een jonge overheid die zich begint te vormen. Ik denk dat iemand als Vlaams minister van Financiën Matthias Diependaele een goede en moedige oefening start door de subsidiestromen in Vlaanderen in kaart te brengen. Dat gaat verder dan de slogan ‘stop de subsidieslurpers’, want er zijn subsidies die terecht uitgekeerd worden.”

Pieter Van Berkel

Dit artikel verscheen voor het eerst in 't Pallieterke op 18 maart 2021.

Labels