Het zwarte ventje

Het zwarte ventje

 

Een verhaaltje, van straat gepikt...

De zon heerste soeverein over het diepblauwe zwerk, de esdoorns strooiden vlekjes soelaas op het pad, een zachte wind steunde het verzet tegen de verschroeiende hitte, de dijk wat verderop leek te trillen, het pas gemaaide gras geurde heerlijk, koeien en, vooral, schaapjes stonden loom de idyllische omgeving te vervolmaken. Ik fietste heel alleen door deze postkaart tot in de verte een tegenligger de menselijke aanwezigheid kwam verdubbelen.

Het jongetje - een jaar of acht - gaf zijn pedaaltjes van katoen want hij was zich aan het verplaatsen van A naar B en wilde die afstand zo snel mogelijk overbruggen. We zaten beiden op een fiets maar voor hem diende die als transportmiddel dat hem naar vertier voerde, voor mij vormde de fiets het vertier.

De verschillen gingen verder. Er gaapte uiteraard een grote leeftijdskloof - tussen ons beide lagen de Cuba-crisis, de dekolonisatie, de Val van de Muur, zes staatshervormingen, het afscheid van bakelieten telefoontoestelen, rode telefooncellen en zo veel meer - maar ook de huidskleur verschilde sterk. Zijn egale diepbruine huid staat in het pigmentenspectrum zeer ver verwijderd van mijn tere, net niet rood verbrande velletje. Twee werelden kruisten elkaar op die verlaten strook macadam.

“Hallo”, klonk het zuiver en spontaan zoals jongensstemmetjes klinken als ze nog maar een jaar of acht in gebruik zijn. “Hallo”, klonk van mijn kant wat hij wellicht als gebrom zou omschrijven, indien daarnaar gevraagd.

Zijn frisse lentestemmetje haalde mij uit mijn lome hoogzomerstemming al eindigde onze kennismaking na die ene uitgewisselde groet abrupt met de gecombineerde snelheid waarmee hij zijn tweewielertje voortbewoog en het gezapige tempo dat ik ontwikkelde op mijn oude damesfiets. Zijn goed gevulde rugzakje deed vermoeden dat hij ruim geoutilleerd plezierwaarts fietste en die beloftevolle tocht liet hij door niets onderbreken. Zo’n welgemutst ‘hallo’ kon er nog net af want die illustreerde zijn queeste eerder passend dan dat die daarbij hinderde.

Als dit zwarte jongetje - het woord donkerbruin treft zijn tint veel beter - helemaal mee was, zo bedacht ik me, met de BLM-beweging, zou hij me dan ook vriendelijk ‘hallo’ hebben toegeroepen? Had hij dan rechtsomkeer gemaakt om te vermijden dat hij een blanke racist zou moeten kruisen, een man die hem later, als die daartoe de mogelijkheid ziet, de kans op een mooie baan zou ontzeggen of hem de huur van een passend appartement zou weigeren?

Zou het kereltje hoedanook zo opgeruimd en vrolijk over dat paadje sjeezen als hij doordrongen was van de boodschap van de ‘social justice warriors’? Want het paadje waarop hij fietste, ligt in traditioneel blank gebied, naar verluidt beheerst door geprivilegieerden naar het model van de hem kruisende oudere man, waar hem later alleen de keuze rest tussen het laf en lijdzaam ondergaan van racisme of discriminatie ofwel alle energie steken in hard verzet tegen de blanke overheersing, alle geneugten des levens daar aan opofferend, zoals hij zo jong mogelijk hoort te leren beseffen.

Met een met hoop gevuld rugzakje fietsen richting een portie zomerplezier - wie weet met blanke vriendjes - brengt hem toch alleen maar op het valse spoor van door een gemene elite voorgehouden illusies? Is het niet, social justice warriors? (Ze zouden hem, ten bewijze van hun Waarheid, in het oor kunnen fluisteren dat ik in een tekst over hem de woorden ‘van katoen geven’ had gebezigd, in mijn bevoorrechtheid niet beseffend welke kwetsende wereld van uitbuiting en zwarte slavernij ik daarmee oproep.)

De jonge knaap met de mooie krulletjes fietste gisteren nog onbezorgd door de zomer. Onbedorven als hij was, zag hij in mij niet zijn vijand die ik ook niet ben. Hij leek nog los van indoctrinatie door BLM-demagogen en belaging door schreeuwlelijke racisten. Politieke oproerkraaiers sluipen echter behoedzaam langs elke buitenrand van het politieke strijdvak wachtend op het beste moment om ook dit prooitje te bespringen en hem in te peperen dat hij die bloedwarme middag naïef kommerloos ‘hallo’ heeft gezegd tegen een vertegenwoordiger van de vijand. Wie van beide eerst toeslaat doet weinig terzake, want de andere wint er evengoed bij.

Hij beleefde een heerlijke zomerdag, want ze hadden hem nog niet te grazen kunnen nemen. Zijn ‘hallo’ klonk goudeerlijk maar ook zo kwetsbaar.

 

Stuk verschenen op Facebook op 12 augustus 2020.

Labels