Grand Hotel Europa

Grand Hotel Europa

 

Er is natuurlijk meer in het leven dan (dagjes)politiek. Literatuur bijvoorbeeld, literatuur die aan het denken zet. Met Noels, Houellebecq, Sciascia, Shustermann, Verbrugge, Scruton, Van Dievel, Simsion, Mantel of Couperus schoof voorbije weken al schoon volk over mijn leestafel.

Wie de literaire bijlagen - excuseer, die bestaan nog amper - wie de boekenpagina’s in Nederlandstalige kranten en tijdschriften er op naslaat, kan echter vooral niet aan Grand Hotel Europa (verder GHE) voorbij, dé, zoals dat heet, mustread van deze zomer. Verzuim het te lezen en na de vakantiemaanden zal passief luisteren uw lot zijn op de recepties die de intelligentsia frequenteert.

Wel, laat het door mij gezegd zijn, wie GHE niet las, zal er terecht niet echt bij horen op dergelijke recepties. Maar ook wie, niet zonder reden, de schouders ophaalt voor zo’n samenscholingen, verschaft zichzelf een uitzonderlijk genoegen door het te lezen.

Ik koester een gezond wantrouwen ten aanzien van top 10-literatuurlijsten en het was dan ook pas na lang aarzelen dat ik de vuistdikke GHE enkele maanden geleden naast de kassa van mijn boekenboer legde met dat vertwijfelde gevoel tegen beter weten in toch in de luren gelegd te zijn door het lorreleiegezang van die commercieel geïnspireerde tableaus.

Mijn argwaan bleek in deze dus een slechte en gelukkig genegeerde raadgever. Ilja Leonard Pfeiffer scheidde met GHE een zeer bijzondere roman af. Niet dat ik het in alles met de auteur eens ben, zeer zeker niet, maar laat dat nu net geen voorwaarde vormen om van een roman te genieten.

De auteur, Ilja Leonard Pfeiffer, maakt het de lezer daarbij niet echt gemakkelijk door het hoofdpersonage Ilja Leonard Pfeiffer (verder voor het gemak ILP) te noemen en de ik-vorm te bezigen, daarmee sterk de indruk wekkend dat het een autobiografie betreft en de opvattingen van het hoofdpersonage samenvallen met die van de auteur.

In hoeverre is de romanfiguur ILP een romanfiguur die verblijft in het fictieve GHE? Mogelijk schept hij daarover enige klaarheid in de interviews die de auteur bij het verschijnen van de roman veelvuldig toestond. Ik raadpleeg dergelijke vraaggesprekken nooit vooraleer ik een roman lees, kwestie van onbevooroordeeld te blijven. Het boek is uit, dus nu zou ik me daar aan kunnen zetten. We zien wel. Doet het er ook toe?

Enfin, verwacht geen boekbespreking hier. Lees GHE gewoon zelf, liefhebbers van het genre zullen het zich niet beklagen. Mij bood het alleszins verheven leesgenot, deze stilistische en compositorische parel. De zich naast en door elkaar ontwikkelende verhaallijnen voorkomen dat de 550 bladzijden gaan vervelen - ze blijken trouwens altijd wel ergens verbonden -, de wijze waarop individuele verhalen grote maatschappelijke vraagstukken verbeelden, daagt uit. De auteur mijdt de ‘leerrijke schooluitstapsfeer’ niet altijd maar weet die elke keer op tijd te doorbreken voor ze irriteert. Het af en toe net-wel-net-niet moraliserende toontje, neem je er graag bij. De schoonheid van sommige zinnen - dikwijls zo schoon dat ze tot meermaals herlezen nopen - moet elke taalminnaar tot bewonderaar van ILP maken.

Geen bespreking maar bij één passage wil ik wel stilstaan. Rond bladzijde 130 - we hebben er dan het eerste kwart van het boek op zitten - gaat het hoofdpersonage, ILP dus, nog eens in gesprek met mede-hotelgast Patelski, de gecultiveerde Europees geïnspireerde wijsheid, niet toevallig vorm gegeven als fysiek fragiele grijsaard wiens sterfdatum zeer in het verschiet ligt. Onderwerp van gesprek: de identiteit van Europa, het continent dat niet zomaar met het hotel vol oude vergane glorie de naam deelt.

Patelski onderscheidt vijf kenmerken van die Europese identiteit, waarvan hij de vierde beschrijft als: de Europese beschaving “is geboren in Athene en Jeruzalem. Zij is de vrucht van de rede en een openbaring (...) het verstandshuwelijk tussen ratio en het geloof.”

Patelski gaat verder: “De Europese ideeëngeschiedenis is een tango van meer dan twee millennia, die dikwijls meer weg had van een worsteling, van het geloof in een exclusieve, geopenbaarde waarheid met het geloof in de capaciteiten van de mens om de waarheid met de rede te achterhalen.”

Over de Grieken weet de wijze grijze: “Hun religie en mythen zijn nooit vastgelegd in een gezaghebbend heilig boek. Daardoor zijn de fundamenten van hun geloof altijd vatbaar gebleven voor discussie. Het is dan geen heiligschennis zelf na te denken.”

Daar tegenover staat de openbaring van het heilige boek Bijbel. Hoofdfiguur ILP hierover: “Wat dat betreft is het epicentrum van de Europese geschiedenis gelegen in de verhandelingen van de kerkvaders, die zich de opdracht hadden gesteld om hun ongeloofwaardige geloof met redeneringen van surrealistische schoonheid salonfähig te maken voor de heidense intelligentsia door het in harmonie te brengen met de illustere verworvenheden van de Griekse filosofie.”

De hoofdfiguur voert het werk van Leonardo da Vinci op als verheven uiting van die tango/worsteling: “Dat de Europese schilderkunst de door Leonardo da Vinci met uiterst wetenschappelijke precisie ontwikkelde perpectiefleer ten dienste stelde van de creatie van verbeeldingen van devotie, is, zo u wilt, een even prachtvolle illustratie van dezelfde paradoxale traditie.” De met wetenschappelijke precisie ontwikkelde perspectiefleer, de ratio, aangewend om het Laatste Avondmaal, de openbaring, voor te stellen: wat een prachtige ogenschijnlijke tegenstelling die Europa tekent.

Die paradoxe dat Europa haar hoogtepunten vond in de kruisbestuiving tussen de twee uitdagers, rede en openbaring, zet aan het denken in een tijd die door het wegschuiven van de traditie van de openbaring dat evenwicht kwijt is en daardoor de vaardigheid verloren lijkt de aantrekkingskracht te vatten van wat dat vacuüm wel pretendeert op te vullen, laat staan er een antwoord op te formuleren.

Ruim een eeuw geleden liet Nietzsche Zarathustra opmerken het vreemd te vinden dat de Oude Heilige niet wist dat God dood was. Hij besefte beter dan de meesten de zware consequentie van dat wegvallen ten volle. Ergens, ik meen bij Ad Verbrugge, las ik daarover dat Europa zich nog koestert in de restwarmte van de reeds ondergegane zon. De kracht van die restwarmte neemt natuurlijk steeds meer af want met die God waarop één van de pijlers van de Europese beschaving steunde, gaat het sedert Zijn doodverklaring bepaald niet beter.

Velen kunnen perfect zinvol verder zonder godsgeloof, dat is in de geschiedenis trouwens nooit anders geweest. Op individueel vlak hoeft de vraag zich niet te stellen. De kwestie die zich aandient, betreft een ander niveau. Hoe komt Europa tot een nieuw beschavingselan zonder de dynamiek van die worstelende tango, bij gebrek aan de tegenkracht zonder dewelke geen tango gedanst kan worden? En in hoeverre kan een model zonder dat uitdagende evenwicht nog Europees genoemd worden?

Grand Hotel Europa biedt geen overtuigend antwoord maar voerde mij, hoewel het niet eens een centraal thema van het boek vormt - het wegglijden van Europa, massatoerisme, globalisering zijn dat wel en kleven daar natuurlijk tegenaan - naar die grote beschavingsvraag. Daarom mag dit schrijfwerk van mij een grote roman heten.

 

Tekst verschenen op mijn FB-pagina op 4 augustus 2019.

Labels