Fatsoen is weer de norm

Fatsoen is weer de norm

Of hoe sterk deze woke-tijden bizar genoeg lijken op hetgeen waarmee afgerekend leek

“We leven in een bijzonder gepolariseerde wereld”, is zo’n zinnetje dat voortdurend opduikt aan alle zijden van het maatschappelijke spectrum. Klopt wellicht en toch duikt ook een ogenschijnlijk tegengesteld fenomeen weer op. Jawel, ‘het fatsoen’.

Fatsoen? Je krijgt het de wereld niet uit. En waar fatsoen heerst, lopen rakkers rond die het helpen handhaven. Na enkele decennia waarin onfatsoen de overhand leek te krijgen, is dit f-woord weer helemaal terug. Dat neo-fatsoen plaatst zowel progressieven als conservatieven wel voor een ernstige zelfevaluatie.

 

De smaak van oude wijn

Met de jaren op de teller nemen ook de her-kenbare situaties toe. Wat voor medemensen van jongere jaargangen nieuw lijkt, kan ouderen heel erg bekend voorkomen. Wordt oude wijn in nieuwe zakken aangevoerd, dan kan dat gewijzigde omhulsel wel een tijdje de schijn hoog houden en duurt het even vooraleer de smaak weer herinneringen oproept aan het oude spul, voor het antwoord te binnen schiet op de ‘waar proefde ik dat eerder’-vraag. 

De gelijkenissen vielen uiteraard al eerder op maar deze zomer leek het alsof de sluier met een ruk helemaal werd weggetrokken. Klikte ik net iets te veel op die specifieke artikels? Wellicht zorgden vervelende algoritmen er voor dat ik zowat dagelijks bestookt werd door weer nieuw ontdekte te mijden woorden, houdingen, uitspraken. Het patroon tekende zich zo wel steeds scherper af.

De Standaard van 14 augustus zorgde voor zo’n expliciet aha-moment. ’s Krants ombudsvrouw behandelde die dag de vraag waarom de veel becommentarieerde woorden van sportcommentator Eddy Demarez – dagenlang hét gespreksonderwerp in de media – niet letterlijk werden afgedrukt in haar dagblad. Ze vond die terughoudendheid terecht. Haar argumentatie kan worden samengevat als volgt: geloof ons nu maar, het was onfatsoenlijk en té erg om door de lezer zelf beoordeeld te worden, maar de redactie kan echt wel verzekeren dat de Sporza-verslaggever zwaar in de fout ging.

Ik las en herlas de argumentatie meermaals want zo expliciet verschijnen doordrukjes van ouderwets paternalisme – in dit geval maternalisme – zelden. Ze doet denken aan wat ik als 7 jarige wel eens van mijn beschermende ouders te horen kreeg. De woorden van Demarez blijken vandaag erger dan Turks Fruit in de jaren ’70. Die film werd ook in brede kringen choquerend en onfatsoenlijk geacht maar wie aan de leeftijdsvoorwaarde voldeed, kon toch zelf oordelen. Hoe recenseerde De Standaard die film toen?   

Enkele dagen later kreeg ik een boeiende leestip. ‘The West’s cultural revolution is over’, titelt de publicist, blogger en journalist Ed West op 9 juli zijn artikel op de webstek unherd.com. Het leest als een uitstekende samenvatting van wat de wakkeren onder mijn leeftijdsgenoten intussen wellicht ook vaststellen. 

De auteur hanteert een Angelsaksische invalshoek maar in deze steeds meer ‘moral flat western (!) earth’ is de herkenbaarheid ook voor ons zeer groot. In het hiernavolgende speel ik daarom graag wat leentje-buur bij dit artikel dat een leidraad biedt om neer te tikken wat al een tijdje in mijn vingers kriebelde.

Ideale schoonzoon door de knieën

West – de auteur dus – opent met de vaststelling dat de Engelse bondscoach annex ideale schoonzoon Gareth Southgate, typevoorbeeld van het mensensoort waar conservatieven van houden, de keuze verdedigt van zijn ploeg om voor de wedstrijden het Black Lives Matter-symbool van de knieling uit te voeren én dat daartegen zo weinig protest klonk. Hij noemt die eensgezindheid over wat moreel goed en fout is typerend voor de fundamentele wijziging in onze sociale houding.

De culturele revolutie die het westen de voorbije halve eeuw beleefde stelde ‘normen en waarden’ principieel ter discussie en wees respect voor wat, jawel, respectabel heette resoluut af. Fatsoen was uit de gratie want stond voor onderdanigheid, slapheid, gebrek aan karakter en authenticiteit.

De ‘hemelbestormers’ konden in de jaren ’60 rekenen op sympathie binnen segmenten van de hogere kringen. Monty Python blijft hét voorbeeld. Life of Brian stak de draak met het allerheiligste maar werd getolereerd en in intellectuele kringen bejubeld. Sympathie voor revoluties uit kringen die er door bedreigd (lijken te) worden, is overigens niet zo uitzonderlijk. De derde stand kon haar programma tijdens de Franse Revolutie pas echt doordrukken nadat leden van de adel en de (lagere) clerus zich aan die kant schaarden. De bourgeoisie was goed vertegenwoordigd bij de bolsjewieken. Hitler kwam aan de macht met steun van conservatieven.

Maar hét establishment als establishment verweerde zich in die jaren ’60 tegen de systeembedreigers. De oude gedachten kwamen onder druk, twijfel en verbeelding dreigden het over te nemen van zekerheid en structuur. Dat wenste de zittende macht niet over zich te laten gaan. Haar verzet was echter tevergeefs. De brutale bek werd opvoedkundig hoger geprezen dan gehoorzaamheid, alleen op taboes rustte nog een taboe, ongebonden vrijheid heette blijheid.

De ommekeer, al langer bezig, werd in 2020 heel erg duidelijk. Het protest dat we graag aanduiden met dat jaartal ’68 richtte zich tegen het systeem. De studenten kregen dus inderdaad steun van binnen de bestormde bunkers. Systeemkritische professoren jutten in aula’s verder op maar het academische establishment verzette zich met big business en media-eigenaars – niet de ganse redacties uiteraard! - als trouwe bondgenoten.

De protesten na de moord op George Floyd leken zich ook te richten tegen het systeem maar zowat alle belangrijke Amerikaanse instellingen van datzelfde systeem – met uitzondering van de intussen weggestemde president – schaarden zich aan de zijde van sociale actiegroepen in dat Black Live Matters-protest dat veel verder ging dan de verontwaardiging over een uit de hand gelopen politieoptreden. Politici, sport- en showbizzvedetten, academici en leraars, media en zelfs zakenlui stonden zowat unisono sympathiek tegenover de zaak, op het activistische af. Wie wel een tegengeluid liet horen, riskeerde morele diskwalificatie met als gevolg dat er bijna alleen tegengeluiden weerklonken uit extremistische hoek waar sociale verbanning als een keurmerk wordt gezien.

Weer zoals '50

In een groeiend aantal van sedert decennia open maatschappelijke debatten neemt de ruimte af om van mening te verschillen over juist of fout. Waar de linkerzijde vroeger moreel relativisme verweten kreeg door de conservatieve heersende klasse maakt de ‘social warriors’-beweging zich daar alvast niet schuldig aan.

Relativisme, stelt West vast, is een positie die de zwakkere inneemt maar ook weer verlaat zodra die zich dominant gaat voelen. Dat heeft het met tolerantie gemeen. Tolerantie kleeft dikwijls tegen onverschilligheid; over zaken waaraan groot belang wordt gehecht is verdraagzaamheid tegenover wie anders denkt erg veel gevraagd. Over gender, diversiteit, ongelijkheid, klimaatbeleid en dergelijke neemt de ruimte voor twijfel over het conflictdiscours af omdat de activisten bovendien voelen dat de balans in de kringen die ‘het debat’ voeren intussen nadrukkelijk naar hen overhelt.

De film Life of Brian, noteert West, was 20 jaar eerder niet denkbaar geweest wegens de dominante positie van de christelijke kerken. Maar vandaag zou die evenmin nog kunnen. Uiteraard zou het beschimpen van Jezus, toch een profeet in de islam, op grote gevoeligheden stoten in moslimkringen. West vermoedt bovendien dat de passage waarin de filmmakers zich vrolijk maken over een man die zich identificeert als vrouw ook zeker moeten geschrapt worden om vandaag kans te maken op een remake. Dat idee werd als absurd beschouwd in 1979, zoals het absurd was in 1879 of 1779 terwijl het in 2021 is uitgegroeid tot een heilig idee.

The Simpsons namen zelf afscheid van Apu, Disney plaatst waarschuwingen bij films als The Aristocats of Phantasia, Allo Allo is niet langer een bron van vermaak maar van gekwetste verontwaardiging, Friends wordt bekritiseerd wegens niet divers genoeg en de nadrukkelijk vooruitstrevend bedoelde] serie Modern Family tart eigenlijk allerhande grenzen van hedendaagse gevoeligheden.

Oude filosofen en schrijvers van de grootste romans blijken te zondigen tegen de fatsoenregels van vandaag. Het ooit door behoudsgezinden fel bekritiseerde Gangreen van Jef Geeraerts – om in eigen land te blijven – wordt in de ban gedaan. Standbeelden ‘die echt niet meer kunnen’ gaan van de sokkel of krijgen, als de uitgehouwene geluk heeft, belerende plakkaatjes opgekleefd. Die moeten duidelijk maken dat wij, altijd wel op één of andere manier erfgenaam van de afgebeelde snoodaard en dus medeplichtig aan diens opgedoken euveldaden, voldoende schuldbewust zijn. Vergelijk het met het tot voor enkele decennia vrij algemene besef dat we nog steeds boeten voor die appel-historie in de Tuin van Eden.

Heilige huisjes gaan neer maar worden vervangen. De nieuwe gelovigen namen de morele citadel in en beschermen die nu op de klassieke manier door taboes, emotionele argumentatie of intimidatie (dan wel een combinatie er van), om Wests woordgebruik hier nog eens over te nemen.

Die vertrouwde oude doos

Een hele reeks kenmerken van onze tijdsgeest komen eigenlijk gewoon uit de oude doos.

De taal vormt een klassiek instrument van beïnvloeding. Net zoals in de vóór-68 tijd horen sommige termen vermeden te worden. Het zijn er nu wel andere die niet meer gepast heten. Woorden die tot voor kort gemeengoed waren, zijn nu taboe en wie ze toch gebruikt, laadt de verdenking op zich een ongehoorde boodschap te brengen. Gebruik het woord ‘blank’ en de wenkbrauwen gaan omhoog. Een collega testte voor een toespraak de geluidsinstallatie met de woorden “Geachte dames en heren” en kreeg van een opgeschrikte twintiger de raad zo zeker niet te beginnen. “Er zijn mensen die zich daar niet in herkennen, in die tweedeling.”

Wat heilig is, hoort geen onderwerp van spot te zijn en eigenlijk zelfs niet van humor, want humor relativeert en dat verdraagt de Waarheid niet. Trouwens, ergens mee lachen is dat niet gewoon een vorm van pestgedrag tegenover degenen die zich daardoor aangevallen voelen? Onaanvaardbaar dus. De indruk wekken te twijfelen aan het dominante discours via grappen te maken over transgenders, BLM of Pride-marsen zijn absoluut uit den boze, om West nog eens te citeren. Op dat punt lijken we zelfs preutser dan in de jaren ’50 toen ook brave katholieken grossierden in moppen over geloof, pastoors en nonnen of het klassieke gezin.

Er mag zeker nog gelachen worden, wees gerust, maar dan met het vergane establishment en diens accolieten. West noemt Sacha Baron Cohen. Die oogst succes met grappen over wie het oude geloof nog aanhangt; ouderen, minder geschoolden, bewoners van het platteland, kortom degenen die de nieuwe bekeringsgolf tot de Nieuwe Waarheden gemist hebben. We kennen het fenomeen want lachten begin deze eeuw uitbundig met de even briljante als laffe humor van ‘In de gloria’ die het zowat uitsluitend gemunt had op Jan-met-de-pet en diens wederhelft.

Een ander klassiek kenmerk is de hiërarchische structuur van het fatsoensmechanisme: een kleine intellectuele voorhoede die zich nestelt in het heersende bestel legt de do’s en don’ts op, lang vooraleer dat tot de keukentafels doordringt, voor zo ver het dat trouwens doet. Wat daar gemeengoed blijft, hoort inmiddels publiek dikwijls al helemaal tot de taboesfeer. 

Vandaar dat een beweging groeit die we met een fors gevoel voor provocatie “innere Emigration” kunnen noemen. Wie zich bewust is van de zware prijs die een onvertogen woord kan opleveren, zal in het openbaar letten op elk woord en zich pas in besloten gezelschap vrij uiten, althans wanneer die zich er van vergewist heeft dat de Iphones uit staan, het gezelschap volkomen betrouwbaar is en geen sporen worden nagelaten van wat gebeurt. Anonieme accounts bieden ook nog een vluchtheuvel om helemaal los te gaan. De wildgroei aan onpersoonlijke profielen op sociale media past in die sfeer.

Mochten toch flarden van vrijmoedige gesprekken uitlekken, dan komt de betrokkene in het maatschappelijk defensief, moet die zich verantwoorden, schuld bekennen, zich uiteraard verontschuldigen – al zal dat niet volstaan – en hopen dat geen melding ergens op het wereldwijde web voor een levenslang stigma zorgt. Mocht het misdrijf, bijvoorbeeld de keuze van een verkeerd woord of het vertellen van een verkeerde grap, de oren van de werkgever bereikt, dan dreigt ontslag, niet omdat die werkgever er per definitie aanstoot aan neemt maar omdat maatschappelijke moed een teer en weinig voorkomend plantje blijft, zeker in neringdoende middens. En doen we niet allemaal op één of andere manier nering? 

Mensen die enig belang hechten – of beroepsmatig moeten hechten – aan sociale aanvaarding, beginnen zich als gevolg daarvan te onthouden van openlijk weerwerk en de tegenspraak komt steeds meer van woordvoerders van daadwerkelijk marginale opvattingen, hetgeen het gevoel van morele superioriteit bij de dominante spraakmakers dan weer verder doet toenemen.

Ook het principe dat ieder recht van spreken heeft, staat onder druk. Op sociale media volstaat het verwijt ‘boomer’ om aan te geven dat die geformuleerde mening van nul en generlei waarde moet geacht worden want komend van een representant van een tijd die voorbij is. Over veel thema’s horen blanken (voor zo ver nog nodig is mijn masker bij deze wel helemaal afgevallen) er het zwijgen toe te doen. Man, hetero, welvarend… het strekt in het maatschappelijk debat dikwijls niet tot aanbeveling.

Wie zich op sociale media al te vrijmoedig uit, wordt beschuldigd van ‘hate speech’. Aangezien sociale media ook vergaarbakken zijn van wansmaak en brutaliteit, komt het verwijt zich te bezondigen aan haatspraak geloofwaardig over want wie verdedigt nu hatelijkheid? Door dat begrip al te fel uit te rekken tot alles wat onwelgevallig wordt geacht, kan het echter dienen als handig middel om onwelgevallige monden te snoeren. Trouwens, het ‘gewone volk’ dient in vele gevallen eerst nog wat (her)opgevoed te worden in de nieuwe moraal, vandaar dat het past remmen te plaatsen.

We hadden het al over (zelf)censuur. De sociale media zijn daarbij een uitstekend hulpmiddel en worden door overheden dan ook aangezet te ‘modereren’, de newspeak-term voor censureren. Ze hebben de nieuwverspreiding gaandeweg gecentraliseerd – zonder sociale media beschikken mensen in digitale tijden nog amper over een spreekbuis - en hightech-big business is helemaal mee met de nieuwe fatsoennormen die ze actief mee bewaakt.  

Het politieke speelveld voor het vrije debat inkrimpen is nog zo’n instrument uit de oude doos. Enkele jaren gelden verweet de toenmalige premier mij in het parlement aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan wat eigenlijk inhield dat het standpunt dat mijn fractie innam, onoorbaar was, ongepast, aantoonbaar fout, irrelevant en eigenlijk niet vallend binnen de politieke fatsoensgrens. Door het begrip ‘racisme’ zo ruim mogelijk af te bakenen, kan bijvoorbeeld wie al te strikte voorwaarden stelt aan het verlenen van asiel beschuldigd worden zich te bezondigen aan ‘racisme’ en aangezien ‘racisme’ geen mening is… De vraag of de FIFA wel of niet regenboogsymboliek moest toestaan in de voetbalstadions was geen ‘politiek’ want ook transfobie is geen mening. Bemeet ruim wat onder die term valt en het debat maakt plaats voor het opleggen van Waarheden. Pleidooien voor realisme in het klimaatbeleid  worden weggezet als onverantwoorde ogensluiterij voor de aanstaande wereldvernietigende tragedie.

Twijfel is nu eenmaal bedreigend voor elk geloof, of daar een God bij komt kijken of niet. Wie bijvoorbeeld het knielen door sportlui voor een wedstijd politiek bedrijven noemt, wordt de mond gesnoerd. Over de genderideologie met de aanzwellende lettercombinatie LGTBQIA+ (of is het intussen toch LGTBQQIP2SAA want het evolueert razendsnel), BLM, diversiteit, seksisme kan steeds minder gedebatteerd worden. Die thema’s verdwijnen van het forum van het open debat en worden bovendien gedepolitiseerd. Het debat is namelijk afgesloten, nu volgt slechts de fase van de uitvoering.

Het ‘andere’ (in dit geval bijvoorbeeld het verleden) bekijken vanuit de eigen gehanteerde (hedendaagse) criteria, is nog zo’n gekende techniek. Studenten in de Schotse hoofdstad Edinburgh vinden studieruimte in het ’40 George Square’-gebouwd, tot eind 2020 de David Hume Tower genoemd. De universiteit gaf toen toe aan een petitie want Hume’s commentaren over ras “hoewel niet ongebruikelijk in zijn tijd, veroorzaken vandaag terecht angsten” volgens een kruiperig persbericht van de instelling.

De grote Schotse Verlichtingsfilosoof Hume maakte het allemaal al eens eerder mee. Hij ontvluchtte het onverdraagzame klimaat in Groot-Brittannië enkele jaren richting Frankrijk. Vooral zijn atheïstisch aandoende standpunten werden hem zwaar aangerekend door de toenmalige gevestigde orde. Toen botste hij, moedig man als deze naar verluidt uitermate sympathieke reus was, met de tijdsgeest; nu met de tijdsgeest van vandaag. Zijn standbeeld op de Royal Mile in diezelfde stad staat er nog maar wordt ook betwist. Gelovigen houden nu eenmaal van beeldenstormen vanaf het ogenblik ze zich daar sterk genoeg voor voelen. 

Deze tijden van ‘cancel culture’ vormen dan ook geen soort Donkere Tijden maar gewoon een terugkeer naar de aloude normaliteit. Wie geboren werd in de tweede helft van de 20e eeuw heeft uiteraard de indruk in normale tijden opgegroeid te zijn. Niets is minder waar. Dat tijdvak was eerder uitzonderlijke, namelijk één waarin twijfel niet alleen werd toegestaan maar ook gestimuleerd. Dergelijke periodes vonden doorheen de geschiedenis geregeld plaats maar steeds als overgangstijd, niet als nieuw definitief normaal.

De erfgenamen van de fundamentele twijfelaars van toen, de hemelbestormers van de ’68-revolutie, reageren vandaag zoals elke revolutionair die een Bastille met succes bestormde: hij richt een eigen Bastille op.

WEER LEKKER HOMOGEEN SAMEN ACHTER DE VLAG

In onze (ik spreek over ons, boomers) jonge jaren stond het woord ‘controversieel’ voor uitdagend, botsend met gebeitelde waarheden. Vandaag gebruiken media het woord steeds meer om iets aan te duiden dat niet hoort, best zou vermeden worden. Controverses zijn nu eerder verdacht geworden. 

Revoluties proberen zich na de ‘overwinning’ te handhaven door terug te grijpen naar de beproefde techniek van religieuze (aandoende) rituelen. Robespierre lanceerde de Cultus van het Opperwezen. Die verving de daarvóór uitgeprobeerde atheïstische Godin (jawel, atheïstische Godin!) van de Rede, aanbeden in het daartoe zeer passende kader van de Notre Dame. De protestanten van BLM gebruiken George Floyd als icoon – een Che Guevara gelijk – met de moeilijk anders dan semi-religieus te duiden knieval als een combinatie van onderwerping en boetedoening. Ik deed geknield mijn eerste en plechtige communie. De regenboogvlag vormt ook zo’n symbool waarachter de gelovigen zich schouder-aan-schouder kunnen scharen, waar vlaggen trouwens voor bedoeld zijn. Als Vlaams-n ationalist ken ik het fenomeen vlaggen als geen ander. Ze zijn weer helemaal terug.

De nieuwe Waarheid dringt uiteraard door tot in de wetgeving maar de nieuwe publieke moraal wordt uitgedragen en de naleving ervan gecontroleerd door gelovige vrijwilligers. Volgens West zijn dat dikwijls vrouwen. Hij noemt Mary Whitehouse als typische zeurende tante die toekijkt op de naleving van de morele fatsoensnormen. Kwezels werden ze vroeger genoemd. Ze kwamen voor alle duidelijkheid – ik wil niet in de seksisme-ban geslagen worden – ook voor in mannelijke versies, bijvoorbeeld als strenge jezuïet, donderprediker of partij-apparatsjik.

West verwijst naar de bekende blogger Scott Alexander die zich afvroeg waar de conservatieven gebleven zijn die in de jaren ’50 de publieke moraliteit oplegden en bewaakten. Die oude archetypische, afkeurende groottante is nu “een trotse linkiewinkie kletsend hoe schandalig het is dat mensen boeken lezen met verkeerde waarden” en betogend “dat op school de juiste waarden dienen opgelegd te worden aan jonge kinderen.”

Men moet moeite doen om daarbij niet te denken aan het geheven vingertjes en het onwankelbare geloof van een Greta Tunberg (en haar Vlaamse versie Anuna De Wever) met dat opmerkelijke verschil dat gezag nu kleeft aan jeugdigheid en gebrek aan ervaring.

In éénklank met formele wetgeving zorgen deze ‘sociale warriors’ weer voor een nieuwe verbinding tussen hun kerk en staat. De staat wordt als het ware een kerk naast en in samenwerking met een middenveld waar de vrijwillige gelovigen actief lopen te bekeren. Het begrip Linkse Kerk is niet zo verkeerd gekozen.

Noem het allemaal woke-extremisme of intolerantie maar volgens West hebben alle samenlevingen nood aan toezicht op de sociale normen. Ik denk dat hij daarmee een realiteit verwoordt. Er is opnieuw een fatsoensnorm, een idee dat zwaar onder druk was gekomen na die jaren ’60. Het idee homogeniteit krijgt een nieuwe invulling want ook in de vorm van opgelegd respect voor de heilige diversiteit blijft het een vorm van homogeniteit. Ouderwetse moralisten zullen opgelucht herademen, overtuigd dat ze zijn dat een samenleving niet zonder kan. In de hele woke en cancel culture beweging zit een stevige conservatieve component.  

Dus...

Laten we het maar een paradox noemen: de hele beweging die mikte op de individuele bevrijding, op de authenticiteitsgedachte begint intussen heel erg te lijken op een conventie-machine. Rijkskanselier Bernhard von Bülow typeerde die geestesgesteldheid in een Reichstagtoespraak op 10 december 1903 onovertroffen met zijn tegenstanders verwijtende “Und willst Du nicht mein Brüder sein, so schlag’ ich Dir den Schädel ein” (daarbij zijn impliciet gesuggereerde eigen zin voor tolerantie fel overschattend trouwens). 

Keren we nog even naar West die afsluit met de bedenking dat Engeland sedert de overwinning in het WK van 1966 erg is veranderd maar in vele opzichten dan toch weer niet. Doen en zeggen wat je geacht wordt te doen en te zeggen is vandaag, net als vóór die gedenkwaardige finale Engeland-Duitsland, weer de regel geworden.

“Plus ça change, plus c’est la même chose” schreef de Franse journalist Alphonse Karr in 1849, een jaar na de revolutie die leidde tot de afzetting van de laatste Franse koning en twee jaar voor de kroning van een nieuwe Franse keizer. Karss frase zou ook vandaag passen, alleszins wat de techniek van de opgelegde moraal betreft.

De indicaties worden steeds sterker dat die pakweg vijf/zes decennia na ’68 een transitie, een herijkende overgang vormden tussen twee periodes van een heel klassieke rigide moraal. In het parlement noemde ik de XIe eeuw die van de lange tenen. Wellicht laat de realiteit zich beter beschrijven met de vaststelling dat de korte periode van de korte tenen voorbij is.

Een scheut fatsoen kan absoluut geen kwaad. Verwarrend is het allemaal wel. Mooi voor conservatieven dat fatsoen weer in is maar het is doorgaans niet hun invulling van het begrip die vandaag de dienst uitmaakt. Progressieven staan voor een nog verbijsterendere vaststelling: zij zijn steeds meer de nieuwe kwezels (X/V/M) aan het worden.

Echte aanhangers van de vrije meningsuiting en het vrije, taboeloze debat – koppig, altijd, consequent, ook wanneer hun opvattingen niet in het defensief zitten - lijken er voorlopig alvast weer aan voor de moeite. Sommigen onder hen zullen zich misschien zelfs de vraag stellen of ze ‘de mens’ niet gewoon overschat hebben.

 

(Klopt het allemaal, het bovenstaande? Wellicht niet. Overdreven? Waarschijnlijk. Vlaanderen loopt in deze zaken trouwens ‘achter’ op de Angelsaksische wereld maar dat zou door de grote beïnvloeding eerder een kwestie van tijd kunnen zijn.

Maar is de analyse fundamenteel fout? Het zou wat haaks staan op de tekst indien ik hier de Waarheid opeiste. Tegenwerpingen zullen me zeker bereiken. Keurig beargumenteerd of met de grove borstel, want ook fatsoenrakkers gaan wel eens uit de bocht. Gelukkig maar.)

 

ILLUSTRATIE: Fatsoen, volgens de Dikke van Dale van 1898.

Labels